Stichting Hoochhoutwout biedt u het heden en het verleden van de (vroegere) gemeente Hoogwoud (Hoogwoud, Aartswoud, De Langereis, De Gouwe, De Weere). De Stichting Hoochhoutwout heeft als doelstelling om de (vroegere) gemeente Hoogwoud in al haar facetten te belichten.

Lentetoid, skòmmakerstoid,

 

alle vrouwe op redut

Door Bep de Haan-Appel

Schoonmakerstijd was de tijd in het voorjaar waarin huisvrouwen zin hadden om aan de slag te gaan. De mannen zagen het meestal met grote vreze gebeuren en ze lieten het lijdzaam over zich heen komen. Want letterlijk: vanaf de zolder tot de kelder moest alles van z’n plaats en worden gesopt. Maar waarom toch al die drukte en al die heisa?

 

Mattenkloppen

Het was nog de tijd van houtkachels, centrale verwarming was nog niet aanwezig bij de gewone man, die de broodnodige warmte in huis brachten. Op peteroliestellen werd eten gekookt en water voor de was warm gemaakt. Alles moest worden gedaan via deze eenvoudige warmtebronnen. De schoonmaak wilde men toch wel bij voorkeur klaar hebben wanneer het Pasen was. Maar had een jaar de Paastijd al eind maart of begin april, dan kon het gebeuren dat je op Eerste Paasdag zat te rillen van de kou, omdat de kachel al op zolder stond. Zo is het bij ons thuis wel eens voorgekomen dat mijn oudere broers riepen: ‘Moeder we halen de kachel weer naar beneden, zo is het toch niet gezellig!’

 

Hoe ging het in zijn werk?

Allereerst werd de zolder gerooid, zoals men het toen noemde. Op de zolder werd de Kerststal met beeldjes veelal bewaard en ook de kapotte stoelen die misschien nog eens gemaakt konden worden. In de zomertijd bood het ook onderdak aan de prikslee en de schaatsen en meer dingen waarvan men geen afscheid kon of wilde nemen. Ook dierbare spulletjes die van opoe waren geweest. Men bewaarde, want: ‘je weet maar nooit of het nog eens van pas komt.’

Dan kwamen de slaapkamers aan de beurt, de dekens over de waslijn, de matrassen of schudbedden buiten op stoelen en ze dan met de mattenklopper bewerken. Ook goed naar de lucht kijken natuurlijk of het niet onverwachts ging regenen. De dekens werden uitgeklopt maar dan moest je wel met twee personen zijn natuurlijk en vader was niet altijd bij huis aan het werk. Maar soms kon ook de bakker een handje helpen als hij langskwam met brood, of de kruidenier die kwam te rondvragen, of de slager die de bestelling voor de zaterdag op kwam nemen. Maar wat sliep je dan weer heerlijk in een schudbed dat dan wel van dons leek.

Bedden luchten

De kledingkasten werden leeggehaald en de jurken en jassen aan klerenhangers buiten gehangen. De winterkleding werd dan meteen vervangen voor de zomerkleding en kreeg dan een plaats vooraan in de kast. Vervolgens werden de slaapkamers gesopt, de gordijnen gewassen en voor het avond was, waren de ledikanten weer op zijn plaats, de bedden opgemaakt met schone lakens en slopen en de gordijnen weer voor de ramen. Het zeil (meestal Balatum) werd ook nog intens gewreven, en wat rook het dan weer heerlijk fris overal. Dan de traploper naar buiten om daar te worden uitgeklopt en had je koperen roeden, dan werden die met Brasso mooi glimmend gewreven. Nadat de trap was gesopt ging alles weer op zijn plaats en begon men aan de benedenverdieping.

Stoelen borstelen

Bevonden zich daar nog bedsteden dan werd allereerst ruimte onder het bed leeggehaald want daar werd in de meeste woningen de inmaak bewaard zoals de sperziebonen en de stoofpeertjes. Veelal bevond zich daar ook de sterke drank.

Vroeger kocht men die in kruiken en in de bedstee was vaak een rooster, zodat alles op een goede temperatuur werd bewaard. Was met heel klein behuisd en was er niet altijd een slaapplaats voor ieder kind dan gebruikte men die ruimte ook wel als slaapplaats, waar je dan toch twee kinderen kon laten slapen. De baby sliep meestal in de kreb die in de bedstee was waar ook de ouders hun nachtrust genoten. Dan kwamen de kasten aan de beurt waar op de planken het ondergoed werd bewaard maar ook wel (zo jij je dat kon permitteren) lappen stof waarvan een herenkostuum kon worden gemaakt of een mooie japon. Die lappen stof werden dan opnieuw, heel secuur weer opgevouwen, maar wel zo dat ze nu iets anders werden gevouwen en op de plank werden gelegd.

Ja, en dan de kamer en keuken uitsoppen (tenminste wanneer je een keuken rijk was, want op boerderijen kookten ze meestal op de koegang) en alle meubels met wrijfwas bewerken. De sluitgordijnen aan de lijn en de vitrage wassen, strijken en weer keurig ophangen, nadat de ramen natuurlijk waren gelapt. De stoelen gewreven, de lampenkappen van stof ontdaan en bezat je een lamp met porseleinen kapjes, dan werden die natuurlijk ook afgewassen en weer heel secuur op zijn plaats gedaan.

Na de schoonmaak van het huis werd ook de buitenboel onder handen genomen, zelfs de dakgoot werd niet vergeten. Dan soms nog even wat nieuwe plantjes voor de ramen en dan was je hillegaar skoôn en op stel.

 

 

Koestal skòmmake

Niet alleen het huis, ook de stal moest worden schoongemaakt nadat de koeien weer naar buiten waren. Hier was ook voor mannen werk aan de winkel.

Wanneer de koeien een hele winter ‘op stal’ hadden gestaan, dan moest er wel het een en ander gebeuren, want het stro dat op de stallen lag en de uitwerpselen van die beesten waren overal zichtbaar. Maar wat het allereerste moest gebeuren: die beesten veilig van die (toch wel hoge) stal te halen. De beesten zelf waren toch wel wat onrustig, want zij merkten dat er nu wat anders stond te gebeuren, nadat ze maanden binnen hun onderkomen hadden gehad (met alleen maar liggen en staan).

De zomerstal op Gouwe 48

Eerst werden de spatschutten weggehaald die tegen de groep aanstonden, deze schutten moesten ervoor zorgen dat de uitwerpselen van de beesten niet op de koegang terecht kwamen. Het ging evengoed wel eens mis en dan lag het tot de kamerdeur wanneer er een koe ‘hoestte’ en zaten de klompen onder de koeienstront. De boerin riep dan veelal tegen een van de kinderen: ‘Gaanderes

kijken, volgens mij is het niet goed gaan’, en dan was jij het slachtoffer en moest je alle klompen weer van die uitwerpselen ontdoen. De schutten werden vervolgens in een sloot gelegd, die wij toen hier in West-Friesland nog veel bezaten. Voor ons kinderen was dat heerlijk, we liepen dan over die schutten en noemden dat ‘skossie trappen’, wat je ook met ijsschotsen deed. Zo ging het ergste vuil er af en werden ze later schoongemaakt en opgeborgen tot de dag dat de koeien weer op stal werden gezet.

 

Koeien naar buiten

De boer wist zelf heel goed welke koe rustig naar buiten liep en welk beest altijd dwars was en er waren er ook bij die eerst nog wat stram liepen, maar wat denk je ook, de hele winter op stal staan is geen pretje. Heden ten dage zijn ze rianter ondergebracht in die loopstallen. Maar het gevecht om de macht begon al zo gauw ze buiten waren, in de vrijheid. Daar had een boer iets op gevonden, hij smeerde (voordat ze naar buiten werden geleid) hun hoorns in met azijn, dan hadden alle koeien dezelfde geur. (Ieder dier heeft een eigen geur. Sommige koeien gaan een machtsstrijd aan. Als ze allemaal dezelfde geur hebben, weten ze niet tegen welke koe ze moeten vechten.) Deed je dat niet dan kon het gebeuren dat ze zo krachtig tegen de hoorns van een andere koe aan boksten dat zo’n hoorn eraf brak en veel ellende gaf. Maar altijd wel waren ze blij en lieten zich naar buiten leiden, eindelijk meer vrijheid en ruimte. Daarna begon het uitmesten, met kruiwagens vol werden restjes hooi en stro met stront naar de mesthoop gebracht, veel extra handen waren dan nodig en werden muren, stallen en schotten schoongespoten.

 

Warme bollen

Omdat de vrouw des huizes in de meeste gevallen op de koegang kookte, kon zij die dag moeilijk koken. Maar overal is een oplossing voor: er werden voor die dag bij de bakker warme bollen besteld. Dat zijn grote witte kadetten, die om 12 uur warm bij de klant moesten worden bezorgd. De boerin zorgde dan dat er een pannetje stroop met boter klaar stond. Je pakte zo’n grote kadet, maakte daar een kuiltje in en liet daar de warme stroop met boter in glijden. Veelal was er ook een wedstrijd tussen de mannen wie de meeste kadetten kon verorberen.

Deze warme bollen werden soms ook wel gegeten wanneer iemand was overleden. Zes weken na de dood van zo iemand was er een H. Mis in de Kerk en daarna in een café koffie en warme bollen en een borrel toe, ter nagedachtenis van de overledene. Wanneer iemand voelde dat zijn leven ten einde liep, werd wel gezegd: ‘Er valt na mijn dood niets te erven maar jullie mogen wel om de warme bollen komen.’

 

Op de Hagedoorn: Teun Groot en Antje Groot-Schaper op 't staltje

Staltje

Maar wat rook het weer fris wanneer alles schoongespoten was. Dan kwam er een mooie loper op de koegang te liggen en ‘het staltje’ ingericht. Twee koestallen werden dan met losse schutten afgeschermd van de overige stalruimte. Dit diende dan als zomerverblijf voor de familie.

Dit had als voordeel dat het woongedeelte netjes bleef, dat spaarde weer tijd en die tijd was nodig voor het binnenhalen van de oogst en niet te vergeten het hooi. De overige stallen werden mooi ingericht met oude spullen waarmee men graag pronkte zoals: een oude kaaspers, een spinnewiel en een koperen doofpot. Ook werden er door de boerin grote bossen bloemen geplukt in eigen tuin en in kruiken of vazen op de stallen neergezet. Het bijzondere was wel: de deuren waren altijd los en er werd nooit iets gestolen. De mensen die binnenkwamen waren veelal bekenden zoals de plaatselijk middenstand of familieleden. Ook werden de randen van de koestallen wel met zwarte teer bewerkt, dat noemde men blikmánese. (verbastering van het Engelse black varnish, red.) Daarna werd er heel fijn zand over de stal gestrooid wat allemaal een heel verzorgde indruk maakte. Helaas had het als nadeel dat de kat er dan graag zijn behoefte in deed.

1980. Interieur van de stal op Koningspade 31, de latere museumboerderij.

Woonde er een kinderrijk gezin, dan werd er ook een schommel aan de zolder bevestigd en dan kon je zo lekker hoog schommelen, heerlijk was dat. Ook bleven er stallen over waar je heerlijk met je poppen kon spelen en er soms je eigen huisje in kon maken. Een boerderij was altijd een plek waar je als kind eindeloos kon spelen in de zomer. Wanneer het hooi binnen was kon je vanaf het vierkant zo in de hooiberg springen, maar niet iedereen durfde dat. Dat wonen op zo’n staltje had ook zijn nadelen. Wanneer het in de herfst kouder werd en de koeien buiten nog voldoende gras hadden, was het er niet altijd prettig wonen. Men probeerde dan met een vierpits petroleumstel met daarop een pan water nog wat warmte binnen te brengen. Men zat dan ook dikwijls met de jas aan bij tafel. Want ja, regels zijn regels en de koeien mochten niet eerder op stal dan wanneer de Hoornse koemarkt (begin november) was geweest.

En dan begon weer de periode van staltijd en was er weer volop leven op de boerderij.

 Website designed and build by

deanluma logo shade xsmall