Adriaan Wegdam
Verzetsleider uit Hoogwoud
Door Christa van Hees
Dit is het verhaal van Adriaan Wegdam (64), de Hoogwoudse onderwijzer die samen met zijn toenmalige buurman Gerard Tulp het verzet in Hoogwoud leidde. Uiteraard met hulp van vele anderen, zoals de broers Floor en Piet Kuiper, de families B. Oostenveld en H. Niele (De Weere) en al die anderen bij wie nooit tevergeefs om voedsel werd aangeklopt en die zwegen.
Dit verhaal is eerder gepubliceerd in de uitgave West-Friesland in de jaren 40/45 in 1983. Om onduidelijke redenen hebben wij de persoon Adriaan Wegdam en zijn rol in het verzet in Hoogwoud en omstreken nooit eerder belicht. In dit artikel van Christa van Hees is dit gelukkig wel gedaan. Christa heeft vriendelijk toestemming gegeven om haar artikel te gebruiken

Adriaan Wegdam in 1946
Adriaan Wegdam (geb. 8 oktober 1917) ging direct nadat hij in 1938 als onderwijzer was afgestudeerd, in militaire dienst. Na zijn demobilisatie, op 7 juni 1941, ging hij bij de distributiedienst werken. Daar was hij voor de leiding van de Nederlandse Unie, waarvan hij lid was, de aangewezen man om bonkaarten te bemachtigen. Niet lang daarna kreeg hij de zorg voor onderduikers. Wegdam onderhield namens Hoogwoud en de buurgemeenten Spanbroek, Obdam, Wognum, Medemblik en Westwoud het contact met de ‘top’ van de Nederlandse Unie in Alkmaar. Tegen het einde van de oorlog zat hij tot aan zijn nek toe in het illegale werk, dat toen levensgevaarlijk was geworden. Na de oorlog heeft Adriaan Wegdam geen contacten meer gehad met zijn kameraden uit het verzet. ‘lk ben altijd erg nuchter geweest. Ik heb direct ingezien dat je de contacten met het verzet niet aan moest houden. Dat je het verleden niet levend moest houden.’
Adriaan Wegdam woont nu (in 1983 red.) alweer een aantal jaren met zijn gezin in de Zuid-Hollandse gemeente Nieuwkoop.
En hoewel hij zijn verzetsverleden niet ‘levend’ heeft gehouden staan de gebeurtenissen uit die veelbewogen oorlogsjaren hem nog scherp in het geheugen gegrift.
Nederlandse Unie

Pamflet Nederlandsche Unie
‘Drie weken na mijn demobilisatie kreeg ik al iemand op bezoek die zich bekend maakte als een sergeant uit Nieuwe Niedorp. Hij vroeg me of ik plaatselijk commandant van de Ordedienst wilde worden. Die Ordedienst moest op gaan treden als de Duitsers zich zouden terugtrekken. Voorkomen moest worden dat er wanorde zou ontstaan.

Schoolteam vader Wegdam in 1932
Het was logisch dat ik als oud-militair daarvoor werd benaderd. Verder was het allemaal nogal vaag. Ik heb die sergeant ook nooit meer gezien. Het enige dat ik wist was dat ik tot plaatselijk commandant van de Ordedienst was aangewezen. Pas in september 1944, toen ik langs andere wegen werd benaderd, bleek dat ik stond genoteerd als plaatselijk commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. De Ordedienst was inmiddels overgegaan in de Binnenlandse Strijdkrachten.
Na mijn demobilisatie ben ik al heel gauw lid geworden van de Nederlandse Unie, een volksbeweging die aanvankelijk nog werd geduld door de Duitsers. Het was de tegenhanger van de NSB en massa’s mensen werden er lid van. Men voelde wel dat dit de enige groepering was die nog wat tegenwind kon geven aan de Duitsers. In Hoogwoud was ik secretaris van de plaatselijke afdeling, die toch wel enkele honderden - voornamelijk katholieke - leden had. De Nederlandse Unie mocht aanvankelijk nog vergaderen, al was er officieel de beperking dat je met niet meer dan twintig man bij elkaar mocht komen. Die vergaderingen werden altijd enorme anti-Duitse demonstraties. Een jaar later, in december 1941 meen ik, is de beweging dan ook door de Duitsers verboden.
Kort voordat de Nederlandse Unie werd opgeheven - we voelden dat wel aankomen natuurlijk - werd ik benaderd door Harrie Leeuw uit Alkmaar, één van de leidende figuren in het district Noord-Holland. Hij zei me toen: ‘We gaan straks ondergronds verder’. Ik zou het contact gaan onderhouden met de mensen van de Unie in de omgeving van Hoogwoud, alsmede met Harrie Leeuw in Alkmaar.
Al gauw, begin 1942, kwam Harrie Leeuw opnieuw opdagen. Dit keer met de vraag of ik, als ambtenaar bij de distributiedienst, voor bonkaarten voor enkele onderduikers kon zorgen. Niet lang daarna stond hij ook met onderduikers voor mijn neus.
Een deel van de bonkaarten hield ik voor onze eigen onderduikers in Hoogwoud. De rest bracht ik eens in de maand naar Harrie Leeuw. Met mijn zakken vol bonkaarten ging ik dan per trein of op de fiets naar Alkmaar. Op de bijeenkomsten daar werden allerlei papieren uitgewisseld.
Harrie Leeuw, die door de Duitsers werd gezocht, had al snel onder moeten duiken.
Hij kwam alleen op zaterdagmiddag even thuis voor die bijeenkomsten. Eén keer zijn we op het nippertje de dans ontsprongen, nadat de naam Harrie Leeuw via een spionerende medegevangene was verraden. Het was onze redding dat het bevolkingsbureau op zaterdag dicht was.
De Duitsers gingen toen op goed geluk op zoek naar het adres van Harrie Leeuw. De mensen in de buurt die door de Duitsers werden aangesproken wisten natuurlijk van niks. Toen het adres ‘s maandags via het bevolkingsbureau was achterhaald, kwamen ze alsnog. Maar toen was Harrie Leeuw natuurlijk allang gevlogen. Als de Duitsers ons die middag hadden gevonden, hadden ze een geweldige slag kunnen slaan.’
Burgemeester Hoogenboom

Burgemeester Dirk Hoogenboom
‘Hoogwoud zelf telde ontzettend veel betrouwbare mensen. In al die jaren is er nooit iets uitgelekt, terwijl iedereen wist dat ik in het verzet zat. Ik kende het dorp natuurlijk door en door. Mijn vader was er 33 jaar schoolhoofd geweest en was zo’n beetje de vertrouwensman van het dorp.
Hoogwoud had niet veel NSB-ers en van degenen die er waren hebben we niet veel last gehad. Samen met Tulp, die leider van de Knokploeg was hebben we eens een anonieme brief naar burgemeester De Vries geschreven. Daarin hebben we hem ronduit gewaarschuwd dat hij het niet moest wagen om iets tegen het verzet te ondernemen.
Hij schreef poste restante terug dat hij er rekening mee zou houden…
De Vries was in de plaats gekomen van burgemeester Hoogenboom die Joodse onderduikers had en door een vrouw (die voor de Sicherheitsdienst werkte) was verraden. Wij waren gewaarschuwd en waarschuwden op onze beurt burgemeester Hoogenboom die op het gemeentehuis zat. Hij ging toch naar huis. Hij wilde niet dat zijn vrouw en dochter zouden worden meegenomen. Toen hij thuiskwam werd hij gearresteerd. Vlak voor het einde van de oorlog is hij in een concentratiekamp gestorven. Ik vind het nog altijd jammer dat hij geen gehoor heelt gegeven aan onze oproep om niet naar huis te gaan. We hadden hem ergens onder kunnen brengen, waar de Duitsers hem nooit gevonden zouden hebben.’
‘Hoeveel onderduikers ik in de loop der jaren in Hoogwoud heb ondergebracht? Geen flauw idee. Het wemelde in Hoogwoud van de onderduikers. Ik gaf ook bonkaarten uit aan mensen die onderduikers hadden die niet via mij waren geplaatst, maar bijvoorbeeld via familie en kennissen waren binnengekomen. Het aantal onderduikers wisselde ook steeds. Als er ruzies ontstonden moest je mensen wegsturen of naar een ander adres verhuizen. Ik weet wel dat ik zeventien Joden in verzorging heb gehad. Hetzij met bonkaarten, hetzij met schuilplaatsen.
Met uitzondering van degenen die bij burgemeester Hoogenboom zaten, hebben zij de oorlog allemaal overleefd, al hebben zich tal van gevaarlijke situaties voorgedaan. Zo kregen de Joodse onderduikers bij de families Kuiper en Oostenveld eens een ansichtkaart van kennissen die waren gearresteerd en in Westerbork zaten. Werkelijk ongelooflijk. Iedereen kon die kaart lezen. Die stommiteit heeft gelukkig geen gevolgen gehad, maar bij ons was de paniek op dat moment groot.

NH kerk Aartswoud, links de pastorie waar Hoogenboom woonde.
We moesten die onderduikers onmiddellijk verhuizen. Dat lukte natuurlijk niet van het ene op het andere moment. De nacht hebben ze doorgebracht in de kerktoren van Aartswoud. ‘s Zondags hebben we de hele dag in de stromende regen rondgereden op zoek naar een veilig onderduikadres. Tenslotte hebben we ze allemaal in De Weere kunnen onderbrengen. De meesten hebben daar tot het eind van de oorlog gezeten.

RK Lagere school
Eén van onze Joodse onderduikers hield het binnen niet uit. Die moest en zou af en toe naar Amsterdam. Dan zette hij zijn ster op en ging gewoon. De mensen op het adres waar hij zat ondergedoken wilden dat natuurlijk niet hebben. Dus kregen we problemen en moesten we deze onderduiker naar Wognum verhuizen.’

Legitimatie Adriaan Wegdam als leider van de L.O. in Hoogwoud
In 1943 was Adriaan Wegdam, nadat hij eerst nog een poosje op de distributiedienst had gewerkt, onderwijzer in Hoogwoud geworden. Zijn ouders woonden in een huis aan de school vast.
Zijn opvolger bij de distributiedienst had zijn taak, om iedere maand honderd bonkaarten achterover te drukken, overgenomen. Dat ging lange tijd goed.
Totdat op een zaterdagmorgen, kort nadat Wegdam daar met zijn maandelijkse portie bonkaarten voor Alkmaar was vertrokken, het mannelijke personeel van de distributiedienst door de SD werd gearresteerd. Allen werden overgebracht naar de gevangenis in Scheveningen en Wegdam dook onder in Waarland.
Dolle dinsdag
Het personeel van de distributiedienst werd in Scheveningen verhoord door het beruchte SD-duo Poos en Slagter. ‘Dat verhoren gebeurde heel geraffineerd.

Spotprent Dolle Dinsdag
Men zei bijvoorbeeld: ‘We willen alles weten over Wegdam. Hij zit hiernaast in de cel, dus je hoeft niets meer te verzwijgen’.
Hoewel er twee man bij waren die geen woord hebben losgelaten, wist men op een gegeven moment alles over mij.
Op dinsdag 2 september 1944 (Dolle Dinsdag) zou onze organisatie worden opgerold. Ikzelf was intussen weer terug in Hoogwoud. Ik had namelijk moeilijkheden gekregen met de pastoor, die ook voorzitter was van het schoolbestuur en vond dat ik terug moest komen omdat de school weer zou beginnen. Ik had terug durven komen, omdat we een telefoontje van een ‘goede’ politieman zouden krijgen, zodra de SD weer op bezoek zou komen.
De school had bovendien een alarmsignaal en op de schoolzolder had ik een schuilplaats, die trouwens ook vanuit mijn ouderlijk huis was te bereiken. We werden op 2 september inderdaad van tevoren gewaarschuwd. Iedereen dook onder, maar de SD kwam die dolle dinsdag niet…..
Poos en Slagter schijnen onderweg ruzie te hebben gehad, maar uiteindelijk zijn ze alle twee teruggegaan naar Scheveningen om hun biezen te pakken.
Ze wilden toen nog een goede daad verrichten en stuurden hun arrestanten - zeventien in totaal - naar huis. Wijzelf durfden pas tevoorschijn te komen, toen we via diezelfde ‘goede’ politieman hoorden, dat alle dossiers van Poos en Slagter waren vernietigd. Dolle Dinsdag heeft ons dus gered. Op zo’n moment realiseer je je wel dat je nergens veilig bent. Weliswaar sliep ik nooit bij mijn ouders thuis, maar praktisch tot aan het einde toe heb ik onder mijn eigen naam in Hoogwoud mijn normale werk gedaan.
Pas in april 1945 ben ik ondergedoken.’
Verraden
‘Ik werkte inderdaad voor de LO (Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers), maar dat kwam pas later. Ik geloof dat het in 1944 was, dat ik bezoek kreeg van een koerier van de LO. Met name in Hoogwoud, maar ook in Spanbroek, Obdam en Wognum gebeurde een heleboel buiten de LO om. Men vond toen dat het verzet gebundeld diende te worden. Per plaats moest er een driemanschap komen, bestaande uit de leider van de Knokploeg, de leider van de LO en de commandant van de Binnenlandse Strijdkrachten. Op dat moment bleek dat ik zowel leider van de LO was, als commandant van BS. De ordedienst, waar ik al in 1940 voor was genoteerd, was inmiddels overgegaan in de Binnenlandse Strijdkrachten. Zodoende heeft Hoogwoud nooit een driemanschap gehad, maar een tweemanschap. De leider van de KP was mijn buurman Tulp, dus dat was makkelijk.
Al heeft het feit dat hij naast mij woonde in 1945 mij ook de doodschrik bezorgd.
Op een ochtend kwam ik van mijn slaapadres af om naar de kerk te gaan. Omdat het nog iets te vroeg was, ging ik bij mijn vader langs. Ik stond, met mijn jas nog aan, thuis voor het raam, toen er opeens een peloton van de landwacht verscheen. De commandant gooide zijn fiets tegen het hek aan en kwam bij ons het straatje op. Ik schrok me een ongeluk en vloog naar boven. Naar mijn schuilplaats op de schoolzolder. Ik heb daar een paar uur gezeten. Ik hoorde dat ze de hele boel omsingeld hadden en wachtten. Maar er gebeurde niets. Achteraf bleek dat ze het op het huis van Tulp hadden voorzien. Hij was verraden door iemand uit de Wieringermeer. Tulp was gelukkig niet meer thuis. Die was net de dag tevoren vertrokken. Na die overval ben ik ondergedoken. Er klopte toen duidelijk iets niet.
Het punt was ook dat in die tijd arrestanten zonder meer ‘op de vlucht’ werden neergeschoten. Die kwamen nooit in Hoorn terecht. Vandaar dat er bij de overval bij Tulp ook al een sectie van de ondergrondse klaar lag om de landwacht te overvallen, wanneer die bij zijn overval succes zou hebben. Men wist dat de arrestanten onderweg zouden worden neergeschoten.

Huis van meester Tulp
Het illegale werk was levensgevaarlijk. Er was ook steeds meer bijgekomen. Behalve de bonkaarten en de onderduikers hadden we nog de verspreiding van de illegale blaadjes en het werk voor het Nationaal Steunfonds.
Het was natuurlijk zaak dat er zo min mogelijk mensen bij het illegale werk waren betrokken, maar het gevolg was wel dat je praktisch iedere dag op pad was voor het een of ander.
Je kon ook niet meer terug. Als ik eruit was gestapt zou het contact met de top verloren zijn gegaan. Daar kwam bij dat naarmate je je meer met het verzetswerk bezighield, je steeds feller werd. Iedere keer als er weer een kameraad gesneuveld was, werd je, ja…ontzettend fel!’
‘Ik heb me nooit afgevraagd of het allemaal wel de moeite waard is geweest. Het wàs de moeite waard. Je weet voor jezelf dat je zeker een aantal Joden het leven hebt gered. Voor hen was het een kwestie van leven of dood. En dat gold ook voor de KP-ers die terreuracties hadden uitgevoerd, die we hebben opgevangen.
Ze zouden onherroepelijk verloren zijn geweest als ze waren opgepakt. Ik had een hele sterke binding met hen. Als je die mensen hielp wist je dat ze waren gered. Dat hield je overeind.’

Verzetsgroep Hoogwoud-Opmeer in 1945.
Vlnr boven: Puck Stam, Nic Vlemming, Daan de Jonge (Zwarte Daan), Jac Rietsema (Piet Stam), Muus Konijn en Gerard Tulp.
Middelste rij: Henk Dijkstra, Dirk Huijsen (Avenhorn), Manus Hofland (Curacao of Toffie) en Tonnes Heres.
Voorste rij: Bé de Vrij en Barend Mes (Gerard Molenaar).
