Middelweg 8: Oorlogsverhalen
van het gezin Groot
Deel 1
Door Martien Hoogland
Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte het gezin Groot op unieke wijze verbonden met het gezin Bosse uit Haarlem. Vanaf 1943 liep Anneke Bosse met haar vader als hongertrekster naar de Middelweg in Opmeer waar haar broer Ton ondergedoken zat. Ton overleefde de oorlog niet maar Anneke kreeg een relatie met de zoon des huizes, Dirk geheten. Na de oorlog werden zowel Dirk als broer Joop opgeroepen om naar Nederlands-Indië te gaan. Joop behoorde tot de allereerste lichting Nederlandse dienstplichtigen en verbleef er zelfs vier jaar. Gelukkig kunnen zowel Anneke als Joop nog over deze periode vertellen, op de gezegende leeftijd van 88 en 91 jaar.
Verder maak ik dankbaar gebruik van de herinneringen die Anneke en Dirk vlak na hun huwelijk op papier hebben gezet.
De boerderij aan de Middelweg 8 is sinds mensenheugenis verbonden met de familie Groot. Al rond 1860 woonden Klaas Groot en zijn vrouw Marijtje Reuzenaar op de boerderij. Zoon Jan (geboren in 1859) trouwde met Leentje Schilder uit Spierdijk en kreeg vier dochters en een zoon Klaas (geboren in 1897).
Klaas zou na zijn trouwen in 1922 de boerderij Middelweg 8 overnemen, terwijl moeder Leentje het renteniershuis liet bouwen dat nog steeds een sieraad is aan de Middelweg 11. Het werd gebouwd door architect Vlaming in zijn typische stijl, met kantelen boven op het dak. Leentje bezat bij haar overlijden in 1925 vijftien hectare land dat ze verhuurde aan zoon Klaas (Middelweg 8 met 10 hectare land) en de rest aan schoonzoon Arie Schipper. Het was belast met een hypotheek ter grootte van 13.800 gulden bij het R.K.-parochiaal armbestuur in Hoorn en van 5000 gulden bij C. Druif.

Middelweg 8
De familie Groot
Klaas had interesses buiten het boerenvak en volgde bij hoofdmeester Wegdam een cursus geschiedenis. Hij trouwde met Emerentiana Commandeur uit de Berkmeer en nam de boerderij over compleet met de hypotheek. Het echtpaar kreeg zes kinderen, Jan (1923), Joop (1925), Dirk (1927), Lena (1931, maar overleden in 1933), Johan (1933) en Leentje uit 1941.
Dirk beschrijft in zijn memoires zijn ouderlijk huis als goed katholiek. Als jochie ging hij met zijn moeder mee naar de kerk. Tijdens de communie liep hij een keer achter haar aan zonder dat ze het in de gaten had, maar Dirk had nog geen eerste communie gedaan en kreeg dan ook geen hostie van pastoor Bitter. Dit veranderde toen hij in de tweede klas zijn kleine aannemen deed onder leiding van juf Blom. Tijdens de plechtige heilige mis in de meimaand was Dirk gekleed in een zwartfluwelen broek en een geel bloesje gemaakt door zijn moeder. In de hogere klassen leerde Dirk de catechismus en las hij graag verhalen over de heilige Sint-Antonius. Dirk kon goed leren en werd uitverkozen om tijdens het plechtig aannemen een tekst voor te lezen op het altaar. Pa en moe waren maar wat trots en moe had een pofbroek voor hem gekocht bij Otto van Os in Hoorn. De parochie was een hechte gemeenschap maar voor de jeugd was er weinig te doen, behalve enkele kerkelijke verenigingen, zoals de Kindsheid. Als lid ging Dirk de huizen van de parochie langs om te collecteren voor de missie. Een kleuterschool en jeugdverenigingen zouden pas later komen.

1945. Boven vlnr. Jan, Joop en Dick. Onder: moeder, Leentje, vader, Johan
Boerenhulp
Het gezin Groot had het niet breed volgens Dirk: ‘De hypotheekrente drukte zwaar op het bedrijf en schuldeisers drongen aan.’ Klaas betaalde de aflossing aan het armbestuur bij een tussenpersoon die in Spanbroek woonde. Verder hadden ook zijn zusters nog eisen, wat voor enige spanning in de familie zorgde. Het bedrijf telde slechts tien hectare land wat aan de kleine kant was. In de jaren dertig kwam Louw Schilder van de Gouwe regelmatig op het erf. Hij kreeg steun van de Kleine Boerenhulp en experimenteerde met Klaas Groot om de beweiding van het grasland te intensiveren. Het ging dan om het aanlijnen van vee of het afrasteren van weiland, zodat er geen gras verloren ging. In 1940 kregen de ouders Groot zelfs steun van de gemeente. Om wat bij te verdienen, raapte Dirk op zaterdagmiddag schapenkeutels van het veld van Grasshoppers. Broer Joop ging in de zomer naar de vakantiekolonie in Bakkum om aan te sterken.

Werkplaats en woning Vlaming
Dirk hielp al op de lagere school mee op de boerderij, vooral in de hooibouw.
Hij en broer Jan kregen dan verlof van hoofdmeester Wegdam. Dirk bestuurde de maaimachine die van ome Arie Schipper was geleend. Als na een paar weken het hooi werd binnengehaald, bracht Dirk eten en drinken naar de hooiers die vader had gehuurd. Daarna zweelde hij met de harkmachine de resten van het hooi bij elkaar. Maar Dirk had geen interesse in het boerenbedrijf en ging naar de mulo in Hoorn samen met twee andere kinderen uit de parochie (Cor Sijm en Jan Mol). Als voorbereiding kreeg hij bijles in de Franse taal van hoofdmeester Wegdam.
De studie was voor Dirk een hele opgave. Elke dag 15 km heen fietsen en weer terug. Thuis wachtte dan het huiswerk. Zijn ouders hadden geen ervaring met studeren en een woordenboek was er niet. Een keer trof moe hem in de ochtend in de koegang slapend boven de boeken.
Boelhuis
Broer Joop had geen groene vingers en koos voor het timmervak. Als jochie voerde hij wat hand- en spandiensten uit op de werkplaats van architect en aannemer Vlaming die bij de kerk woonde. Na diens overlijden in 1940 (zie artikel Nicolaas Jacobus Vlaming, een man met een eigen stijl, jaarboek 1998) werd de inboedel van zijn bedrijf geveild. Joop hielp mee met de inventarisatie van het gereedschap en het machinepark. Pronkstuk was een stoomcarrousel voor de aandrijving van een steekmachine waarmee gaten in hout gemaakt werden.
En verder een schaafbank en een boor voor het maken van de houten schachten van een waterpomp. Vlaming plaatste deze bij particulieren in de tijd dat er nog geen waterleiding was.
De schachten werden op elkaar geplaatst tot aan het grondwater. De machines waren van Duitse makelij.
Het boelhuis werd in de werkplaats gehouden en de inventaris ging overal naar toe. Dat was jammer want het was een unieke verzameling werktuigen.
Als blijk van de goede verstandhouding met het gezin Groot schonk de weduwe Vlaming hen een burgemeesterskastje gevuld met boeken. Een ervan ging over het verschijnsel onweer en was
geschreven door Vlaming zelf. Hij plaatste bliksemafleiders bij particulieren en was verzekeringsagent voor bliksemschade.
Dat kastje siert nu de kamer van Anneke. In de ontruimde werkplaats kwamen gezinnen te wonen met als eerste Jan Groot (van Kees) en zijn vrouw Alie Mooij, dochter van garagehouder Kees Mooij uit Opmeer. Jan was voorman bij Jacob Ursem en een bekende voetballer.

De familie achter de boerderij
Na de lagere school werkte Joop als leerling timmerman bij aannemer Nap in Veenhuizen. Hij was er zeven jaar in dienst, tot 1944. De eerste vijf jaar was hij leerling en kreeg als zodanig betaald, namelijk tweeënhalve gulden per week in het eerste jaar en vijf gulden in het tweede jaar. Pas het zesde jaar kreeg hij een normaal salaris. Nap maakte eggen en ploegen en transportkarren voor boeren die hun land scheurden. En meelmolens met een kleine steen voor particulieren en gemeenten.
Het ijzerwerk werd gemaakt door Arie Rentenaar die tegenover Nap een smidse had. Nap plaatste ook een nieuwe aandrijving voor de molen van Piet Groen aan de Langereis. Deze werd in een ombouw naast de molen geplaatst. Nap restaureerde de molen nadat deze tijdens de oorlog in de brand was geraakt. Hout was afkomstig van iepen die langs de kant van de weg stonden en die er in deze tijd van houtschaarste aangingen. Joop hielp mee aan deze klus en kende zo moeder Neeltje en dochter Adriaantje. Piet Groen was trouwens een lange kerel en tijdens zijn begrafenis na de oorlog bleek zijn kist niet in de grafkuil te passen. De kist bleef boven de grond staan tot het graf door de koster was uitgegraven.
Broer Jan nam geleidelijk aan het werk op de boerderij van zijn vader over.
Broer Johan ging naar de orde van de Benedictijnen in Egmond-Binnen. Johan kon op de ouderlijke boerderij goed met paarden overweg en slaagde met goede cijfers voor de landbouwschool in Spanbroek.
Op de boerderij van het klooster verzorgde hij de koeien. Zus Lena trad in 1961 in bij de Orde van de Ursulinen in Bergen.

Vader en Jan in de voorkamer
De familie Bosse
Vader Paul dreef in Haarlem samen met zijn broer Cor de kantoorboekhandel Anton Bosse, die gehuisvest was in De Vergulde Brasem gelegen aan de Barteljorisstraat nummer 12 vlak bij de Grote Markt. Vader en moeder trouwden in 1924. Het gezin Bosse telde acht kinderen. Dochters Anneke en Ria gingen naar de kostschool van de Zusters van Liefde gelegen in Oerle vlakbij Eindhoven. In de Paasvakantie van 1940 waren ze thuis.
Anneke herinnert zich het begin van de oorlog nog goed. Pater Staal zat in de huiskamer koffie te drinken toen broer Ton binnenkwam en zei: ‘De Engelsen hebben de oorlog verklaard.’ Ton kwam daarvoor uit het kantoor en dat deed je niet zomaar. Werk en huis waren strikt gescheiden. In mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. De zussen waren alweer in Oerle waar ze oorlogshandelingen meemaakten. Bij dreiging schuilden ze in de kelder van de kostschool. Na de grote vakantie bleven ze in Haarlem en kozen ze voor de mulo.

Recept suikerbieten
Bloembollen en suikerbieten
Het gezin Bosse raakte al gauw nauw betrokken bij de oorlog. In 1943 begon er schaarste te ontstaan. De meeste levensmiddelen raakten op de bon, ook groenten en melk. Het gezin at aanvankelijk nog wel drie keer op een dag maar de maaltijden werden steeds kariger en uiteindelijk was het twee keer per dag. De aardappelen werden drie keer achter elkaar in hetzelfde water gekookt. Zo kwam er toch nog smaak aan want zout was er niet meer. Van dat water werd soep gemaakt. Soms bakte moeder een worteltaart. Uiteindelijk at het gezin ook bloembollen, maar Anneke kon die niet door haar keel krijgen. Wel at ze suikerbieten, alhoewel die pijn deden aan haar keel. Anneke vergeet nooit dat er op een dag aan de voordeur gebeld werd. Het gezin zat aan de eettafel en vader liep naar de deur. Hij kwam terug met een tinnen bord met de woorden: ‘Harms heeft al drie dagen niet gegeten.’ Vader schepte wat van zijn eten op het tinnen bord, terwijl de kinderen met grote ogen toekeken. Daarna gaf vader het bord door en alle kinderen stonden wat af. Anneke had honger herinnert ze zich nog.
De oorlog deed zich steeds meer gevoelen in het gezin Bosse. Broer Ton werd door de Duitsers opgeroepen en dook onder in de Wieringermeer. Hoe hij daar kwam weet Anneke niet. Ton zat daar met Jan Groot uit Opmeer bij een boer maar ze kregen te eten uit de gaarkeuken tegenover de boerderij. Beiden werkten bij buurman Gravenmaker. Jan werd ziek en ging terug naar zijn ouders. Ton bad dat hij met hem meekon en dat gelukte. Zo belandde hij bij het gezin Groot aan de Middelweg in Opmeer. Vader Bosse praatte weinig over deze zaken. Bewust, hij moest op zijn woorden passen. Zijn broer was getrouwd met een Duitse vrouw. Dat wantrouwen gaf een naar gevoel volgens dochter Anneke.
Hongertocht naar Opmeer
Vader ging al in 1943 voor de eerste keer op trektocht, samen met zoon Guus, een handwagen en een fiets met antiplof-banden. Anneke heeft er geen herinnering aan. De mannen vertrokken al voor dag en dauw vanuit de winkel aan de achterkant van het huis. Ook hun terugkeer staat haar niet bij. Maar Guus ging onderduiken in Aarlanderveen en kon niet meer mee. Anneke vroeg aan haar vader of ze mee mocht. Dat was goed. Die ochtend stond ze vroeg op. Ze trok de zwarte kousen aan uit haar kostschooltijd en at bonen die door moeder speciaal voor deze tocht waren gekookt. Verder namen ze elk twee sneeën brood mee voor onderweg. Zo begonnen vader en dochter gesterkt aan de reis. Om 4 uur in de morgen gingen ze op pad met een houten kar en een fiets met antiplofbanden. Anneke duwde de kar.
Deze had twee grote wielen en liep licht. Bij Beverwijk aangekomen zei ze tegen vader: ‘Nou we zijn ingelopen.’ Ze hadden de smaak te pakken. Bij Akersloot pakten ze de pont om daarna voorbij Alkmaar het West-Friese platteland te betreden. Onderweg zong Anneke liedjes, zoals ‘Waar de blanke top der duinen.’ Vader zong mee. Bij de tekst: ‘Ferme jongens, stoere knapen, foei, hoe suffend sta je daar’, moest Anneke altijd erg lachen. Af en toe zei vader: ‘Ga jij nu maar fietsen.’ Anneke gaf dan de wagen aan vader maar stapte na een half uurtje toch weer van de fiets. Ze hield gewoon van wandelen. In het begin waren er nog niet veel trekkers, maar allengs sloten zich er meer aan.
Contact was er nauwelijks. Het was ieder voor zich. Via Oterleek, Obdam en de Berkmeer naderden ze Opmeer. Anneke zei dan: ‘Nog eventjes vader, we gaan Ton zien.’ Het was najaar en de vorst moest nog komen.

Ton Bosse
Anneke herinnert zich flarden van de aankomst bij het gezin Groot. Het was het begin van de spertijd rond 8 uur. Broer Ton was blij ze te zien. De ouders Groot zaten in de kamer en bleven gewoon zitten toen de gasten binnenkwamen. Anneke kon ze niet verstaan, ze praatten West-Fries. Er liep een klein meisje rond, Leentje genaamd. Ze gingen met het gezin Groot aan tafel en gingen daarna te bed. Anneke in de bedstee van de woonkamer en vader in een bed in de pronkkamer.
De volgende dag vroeg vertrokken ze weer. Ton liep een eindje mee tot in Obdam. Bij thuiskomst in Haarlem waren ze blij dat de tocht was gelukt. Maar Anneke was wel moe en had vreselijk zere voeten. Ze plofte neer op een stoel en zei: ‘Ga weg’, tegen haar broertjes die op haar afkwamen. 120 km lopen in twee dagen was dan ook niet niks.

Op hongertocht
Vluchtplek
‘Na de oogst kwamen lange rijen stadsbewoners langs voor eten’, schrijft Dirk. Zo ook vader en dochter Bosse. ‘Zo leerde ik Anneke kennen, niet wetende dat deze noodsituatie voor ons een zegen zou zijn.’ Op de boerderij was het bedrijvig.
Er werd gekaasd en de 1.5 hectare bouwland vroeg veel werk. De kinderen Groot hielpen mee. Joop ploegde en egde het land met een paard. De ploeg was gehuurd. En hij hielp met het oogsten van de tarwe wat gebeurde met de rosmolen die eigendom was van een familielid uit Hoorn. Deze voerde loonwerk uit. De rosmolen had trouwens eenzelfde as als de draaimolen op de kermis. Ook Ton maakte zich nuttig op de boerderij en hielp mee in de hooibouw en op het bouwland. ‘Wij bonden de schoven’, schrijft Dirk. Joop sluisde een deel van de oogst weg naar de ondergrondse. Ton sliep in de bedstee op de koegang, samen met Jan. Daar bevond zich een vluchtplek in de ruimte onder de bedstee. Later ging Ton bij buurman Arie Schipper werken en daarna bij Ton Loos en zijn vrouw Corrie Schipper die aan de Zomerdijk boerden.
In totaal liepen vader en dochter Bosse deze tocht vijf of zes keer en elke keer leerde Anneke het gezin Groot beter kennen. Moeder Emma droeg het huishouden. Vader Klaas was een man van weinig woorden, maar sprak wel Algemeen Beschaafd Nederlands en wist veel. Vader Bosse kon met beiden goed opschieten en er was onderling respect. Gaandeweg leerde Anneke woorden als ‘stikkezakkie’ en ‘noh moid’ te verstaan. Het gezin Groot woonde in de zomer in een deel van de koegang en in de winter in de woonkamer. Achter in de koegang verrees een haard waar een grote pot water hing boven een open vuur. Daarnaast bevond zich de keuken waar gekookt werd op petroleumstellen. Moeder Emma legde dan een krant over de pannen wat Anneke doodeng vond. Na het afwassen pakte ze een schone theedoek die ze nat maakte alvorens met afdrogen te beginnen. Verder stond er een zoutkist waarin allerlei levensmiddelen waren opgeborgen. De boerderij ademde het verleden. Op de schoorsteen in de woonkamer stond een mooie klok.
Hongertrekkers
Elke keer kwamen de Bosses met van alles terug uit Opmeer; aardappelen, kool, bonen, edammertjes, boter en mogelijk appels uit de boomgaard. Meel zat er niet bij want dat was schaars en een lekkernij. Wel deed de oorlog zich tijdens de tocht steeds scherper gevoelen. Het laatste jaar voer de pont bij Akersloot niet meer en moesten ze met een particuliere boot het Alkmaardermeer oversteken. Ook werd de honger steeds zichtbaarder. Een keer liepen ze langs een dode vrouw en niemand stopte. Ook vader liep gewoon door, herinnert Anneke zich ontzet. Het was ieder voor zich. Een groot verschil met andere hongertrekkers was dat broer Ton ze vanuit Opmeer op de hoogte bracht wanneer er iets te halen was. De meeste hongertrekkers ondernamen de tocht op goed geluk. Elke keer liet Ton vol trots zien wat hij op de kop had getikt. Hij was een jongeman geworden en vertelde Anneke verliefd te zijn op een dochter van buurman Schipper, Toos genaamd. Hij had zelfs een beeld van het Heilig Hart voor haar gekocht.

Hongertrekker overleden
Avondschool
Joop volgde tekenlessen aan de avondschool. De lessen werden gegeven in de kolfbaan van café Modder, met de architecten Keesman en Saal uit Wognum als docenten. Saal had het bekende bejaardenhuis Westerlicht in Alkmaar ontworpen, het eerste moderne bejaardenhuis in Nederland.
Meester Wegdam verzorgde het theoretische gedeelte.
Een leerling was Anton Smit uit de Weere. Deze cursus werden in de winter gegeven en het was pikkedonker op straat. De verlichting brandde niet wegens schaarste. Op weg naar huis fietste Joop een keer tegen Piet Deken aan die uit de pastorie kwam van een vergadering van de kerkenraad. Na afloop van de cursus kregen Joop en Anton allebei een diploma vanuit het Meester Harms
Meegenfonds, Anton als meester-schilder.
Deze uitverkiezing was uitzonderlijk en de uitreiking vond plaats in Assen. De uitverkorenen gingen er met zijn vieren heen en wel op de tandem. Ze reden er in twee dagen heen.

Huize Westerlicht Alkmaar
In 1944 stapte Joop over naar aannemer Huiberts uit Wadway die samenwerkte met de architecten Keesman en Saal.
Saal bestempelde Joop als een onmisbare vakman en voorzag hem van een ausweis.
Ton Bosse bezocht zijn ouders tijdens de kerst van 1944. Hij wilde hen graag zien. Joop ging mee. De kerst in het gezin werd gevierd met een kerststal en een eenvoudige maaltijd met een typisch Haarlems gerecht. De naam is Joop ontschoten. Verder zat er een franciscaan aan de dis. Maar de schaduw van de Duitsers was in Haarlem overal aanwezig. Ton was trouwens brutaal, ging gemakkelijk de straat op. Terug gingen ze met de trein.
Laatste twee tochten
De oorlog deed zich steeds meer gevoelen. Vader Bosse had in de krant gelezen over beschietingen van hongertrekkers en maakte zich zorgen over de aanstaande tocht. Anneke moest op zoek naar nieuwe schoenen omdat de oude waren versleten. Gelukkig had een franciscaan uit hun parochie schoenen over. Deze waren van het merk Patijn. Zo gingen ze op pad en jawel, onderweg kwamen er drie Engelse vliegtuigen over gevlogen. Het was doodstil op straat. Een dook er naar beneden en vloog laag over ons heen.
Vader riep: ‘Ga naar de slootkant!’ Anneke trilde van angst. Het liep goed af. Bij aankomst in Opmeer wachtte hen gelukkig een warme ontvangst. Ma Schipper stopte hun stukgelopen sokken. Het was gezellig met al die meiden.
Begin 1945 vertrokken vader en Anneke weer naar Opmeer. Maar de ontvangst bij de familie Groot was anders dan normaal. Ton was er niet. De sfeer was raar. Toen kwam het hoge woord eruit: Ton was opgepakt en zat in de gevangenis aan de Weteringsschans in Amsterdam. Er volgde een onsamenhangend verhaal. Ton en zijn baas Jan Loos bleken in het verzet te zitten samen met anderen aan de Zomerdijk.
Deze groep beheerde de dropping plaats genaamd Mandril. Maar op een avond werden een aantal leden opgepakt terwijl ze zaten te kaarten in Wadway. De overige leden kregen van meester Tulp het advies om die nacht niet naar huis te gaan. Jan Loos bleef dan ook weg ondanks dat zijn vrouw een baby had. De volgende dag ging Ton Bosse toch kijken omdat hij zich als knecht veilig waande. Maar hij vergiste zich. Vader Bosse hoorde het hele verhaal zwijgend aan. Ze voelden zich verslagen. Samen gingen ze weer op weg naar Haarlem met een zak graan. Anneke zei nog: ‘We hopen op het goede.’ Maar in het zicht van de haven werden ze toch nog aangehouden. Het was aan de Kruisweg vlak bij hun huis. Normaliter was je dan alles kwijt. Vader was helemaal ontdaan en ging op de reling van de brug zitten: ‘Neem het maar mee, het kan me niet meer schelen’. De man toonde echter erbarmen en vroeg hoe ver hij nog moest. ‘Ik woon hier vlak achter’, zei vader waarop de man zei: ‘Nou ga dan maar verder.’ Vader kwam pas na acht uur in de avond thuis en vond de poort van de tuin gesloten. De spertijd was al ingegaan. Vader was op van de zenuwen.
Gefusilleerd
Het was half maart 1945. Pastoor Roorda kwam bij Bosse binnengelopen. Anneke werd geroepen en hoorde dat haar broer Ton was gefusilleerd, samen met 52 anderen bij het Rozenhof in Amsterdam. Het was een vergelding voor de mislukte aanslag op de Duitse SS-officier Rauter. Ze wisten niet wat te doen. Verdoofd gingen ze door met hun werk. Opeens zag Anneke Greet Schipper voor de etalage staan met roodbetraande ogen. Ze had in Opmeer dit bericht gekregen en was naar Haarlem gegaan om ons het nieuws te brengen.
Maar ze had het niet gedurfd en had de pastoor op de hoogte gebracht.

Herdenkingsplaquette in Spanbroek
Later moest vader Bosse zijn zoon identificeren. Het was een zware gang. Hij herkende zijn zoon aan zijn gebit en aan de pyjama die hij thuis ook droeg. Een paar dagen later fietste Anneke met zus Ria naar Aarlanderveen om broer Guus te zeggen dat Ton was overleden. Tweelingzus Coby verbleef in Limburg dat al bevrijd was.
Op 5 mei werd de bevrijding gevierd op de Grote Markt in Haarlem. Iedereen juichte, maar niet vader en Anneke. Ze stonden op de trappen van het stadhuis en waren nog steeds vol verdriet om de dood van Ton.
In Opmeer had het gezin Groot meegeleefd. ‘Het gezin Bosse droeg een zwaar kruis’, zo schrijft Dirk, ‘en de angst sloeg ons om het hart. De Wieringermeer werd onder water gezet en wij gaven onderdak aan daklozen. Het was een opleving voor mijn godsdienstig leven, ik trok mee op bedevaart naar Heiloo en ging op de fiets naar Amsterdam voor de Stille Omgang.’

Jan Groot volgde vader op
Na de oorlog
Dirk zat thuis in Opmeer. Na Dolle Dinsdag in 1944 was zijn opleiding stopgezet en pas na een jaar werd hij weer opgeroepen. In deze tijd bleven vader en dochter Bosse hen bezoeken, want de schaarste was nog niet voorbij.
In mei 1946 begon Dirk op het postkantoor in Alkmaar. Hij was 18 jaar. De geldzuivering van minister Lieftinck was in volle gang en was een geweldige klus voor de ambtenaren.

Tientje van Lieftinck
Hij hielp mee met het tellen van het geld, volgde een morse-opleiding en kwam op de afdeling telegrafie. Daar vonden de meisjes zijn naam wat stijf en werd hij omgedoopt tot Dick. Hij werd lid van de Katholieke Arbeiders Bond en vond zich een wereldburger, zo schreef hij trots.
Na de oorlog werkte Joop via aannemer Huiberts in de Wieringermeer. Hij werkte mee aan de herbouw van de boerderij van Mansholt, de latere minister van landbouw. Joop was een vakman en had de mogelijkheid om een opleiding tot architect te volgen, maar zag daarvan af, want dat zou hem zes jaar studie kosten.
In het begin van 1946 kreeg hij een oproep om naar Indonesië te gaan, tot groot verdriet van thuis. Hij werd ingedeeld bij de 7 december-divisie. Deze was in 1942 door Koningin Wilhelmina opgericht voor de strijd tegen de Japanners.
De divisie bestond uit soldaten van de lichting 1925. Deze divisie telde 18.544 militairen waarvan er 683 zouden sneuvelen.
