Stoomgemaal Aartswoud
Van Spui naar stoomgemaal
Door Piet Tromp
Ten noorden van Aartswoud heeft in de periode van 1895 tot 1970 een Stoomgemaal gestaan. Het diende voor de afwatering van het Geestmerambacht. Het gemaal verving een serie windmolens en sluisjes waarmee het spuien naar de Zuiderzee door hogere waterstanden steeds lastiger werd en waarbij meer vermogen werd gevraagd. Het gemaal werd o.a. bemand door E. List (hoofd-machinist), Fl. Mienis (machinist), Jb. Kuiper (assistent) en G. Leyen (stoker).
Hierna volgt een uiteenzetting van de historie, het proces tot besluit van de bouw van het gemaal, en het gebruik tot en met de sluiting.
De Westfriese Omringdijk ‘omringt’ Westfriesland: 126 kilometer dijk van Alkmaar langs Kolhorn, Medemblik, Enkhuizen en Hoorn en dan terug naar Alkmaar. Meer dan 1200 jaar geleden was Westfriesland nog een veenmoeras, dat boven de zeespiegel lag. De eerste pioniers markeerden stukken grond en groeven er sloten omheen. Dat was om het overtollig water af te voeren. Zo legden ze ook dijkjes en kaden aan. Buren moesten daarbij samenwerken. Wie verder van zee zat, moest ook zijn water kwijt. Uiteindelijk moest alle water naar zee. Ze begonnen met in cultuur brengen op hoger gelegen plekken, zoals bij Medemblik en Wognum. In het begin woonden de Westfriezen op hoger gelegen oude stroombeddingen of kreekruggen. Die dateren nog uit een ver verleden. In het westen, in de buurt van Schagen, werden ook eerst hoogtes bewoond, maar later wierpen de Westfriezen zelf terpen op. Ze deden dat om bij een stormvloed droog te blijven. Later bouwden ze om hun landbouwgrond kaden en dijkjes om die grond droog te houden. Ook daar moest het overtollige water naar zee worden afgevoerd.
Als je water uit veengrond laat lopen, zakt die in. De veenplantjes komen ook boven water en verteren door de zuurstof in de lucht. De Westfriese bodem klonk daarom steeds meer in en daalde tot onder zeeniveau.
Graaf Floris V gelastte de dijken te maken met ‘aerde’ tot een ‘aertdijck’ en aan buitenzijde beschermd met palen. Al die dijken achter elkaar vormden rond 1250 al een geheel: De Westfriese Omringdijk. Hertog Albrecht van Beieren gaf, bij handvest van Sint-Clemensavond, 23 november 1386, vergunning tot het graven van de Langereis als afwateringskanaal, wat pas was voltooid in 1461.

Omringdijk
Sluizen
Eerder, in 1404, werd van hogerhand bevolen om ter hoogte van Aartswoud een gat in de dijk open te laten om in tijden van nood het land onder te kunnen laten lopen zodat indringers zouden kunnen worden gestopt of verdreven. Zoiets geschiedde in 1573 wat leidde tot Alkmaars ontzet. Sluizen in het Noorderkwartier werden opengezet waardoor het gebied rond Alkmaar onder water liep en de Spaanse aanvallers o.l.v. Don Frederik (zoon van Alva) zich terug moesten trekken. Na de Allerheiligenvloed in 1570 gelastte de Hertog van Alva om alle zeedijken weer in goede staat te brengen.

Beleg van Alkmaar
In 1675 werd Westfriesland door een zware overstroming getroffen. Op de vijfde november van het genoemde jaar begaf de Omringdijk het vlak bij Scharwoude. Vier weken later had men het gat bijna dicht, maar al het werk werd door een nieuwe storm tenietgedaan doordat op 4 december 1675 de zee nog eens toe sloeg. Doordat nu ook nog enkele belangrijke binnendijken braken, kwam heel oostelijk Westfriesland onder water te staan. Het stroomgat bij Scharwoude werd pas op 22 januari 1676, onder meer met behulp van een dijkleger uit het Geestmerambacht, gesloten. Tijdens een watersnood in november 1678 liep, net als vele andere dorpen, ook Aartswoud onder water waarbij 20.000 morgen (ca. 16300 ha) land overstroomde. Het land viel pas weer droog in maart 1679. Toenmalig secretaris van het ambacht, Dirk Harkszoon Heijnen, dichtte een vers over de gebeurtenissen uit deze periode en nam het op in een door hem over de watersnood aangelegd ‘memoriael’:
Als d’oceaen verwoet, blies uijt sijn holle kaecken ‘t water op Zuijderzee, waer door veel dijcken braecken dat juijst Westvrieslants ringh, oock jammerlijck besuert soo dat gantsch Drechterlandt, met sijn gebuere treurt Bewaert heeft mij de Heer, als dese overstroomde wanneer hij in sijn gunst, des waters krachten toomde en sprack comt vorder niet, keert weder, neemt de wijck houdt aff, het is genoegh, staet voor d’Langereijs-dijck

Detail van een kaart met de sluizen
Het Geestmerambacht
In het Geestmerambacht en de Schager-en Niedorperkoggen werden direct na de doorbraak van de omringdijk nabij Scharwoude op 1 November 1675 de relevante sluisjes en molenkolken gedicht om het overstromingswater uit oostelijk Westfriesland buiten te houden. Daarna besloten de regenten van het ambacht tot het verstevigen van de dijken langs de Heerhugowaard vanaf Rustenburg en verzwaring van de aansluitende kade langs de Langereis tot Aartswoud.
Hiertoe werd een ettelijke duizenden manschappen groot dijkleger opgeroepen. Na de storm van 4 december was de situatie weer kritiek. Het dijkleger kwam opnieuw in actie. Met vereende krachten slaagde men er in het Geestmerambacht en de Schager- en Niedorperkoggen droog te houden. De opluchting onder de bevolking was groot.
Het Geestmerambacht in westelijk Westfriesland was een op zichzelf staand gebied met vrij veel meren en plassen die gezamenlijk één grote boezem vormden voor overtollig water uit polders dat weer werd afgevloeid via sluisjes naar de Beemster en de Schermeer. Doordat steeds vaker het water in de Schermeer hoog kwam te staan stremde dit de afvoer. Op verzoek van belanghebbende dorpen werd in 1458 permissie gegeven om de Wisend te vergraven tot afwateringskanaal naar het noorden westelijk van Aartswoud. Het kanaal, later genoemd Langereis, kwam gereed in 1461. Aan het uiteinde van dit nieuwe kanaal werden twee spuisluizen gebouwd, de Geestmerambachts-sluizen. Deze spuiden overtollig water op de Zuiderzee.
Dit bleek later geen afdoende oplossing daar bij stormweer er hoogwater stond op de Schermeer en gelijktijdig het waterpeil op de Zuiderzee te hoog was om te kunnen spuien. Daardoor was afvoer naar beide zijden gestremd. De drooglegging van de Heerhugowaard heeft de wateropslag aanzienlijk verkleind voor de ‘Raaksmaatsboezem’ doordat hierdoor een grote waterbuffer verdween. Er werden strijkmolens (watermolen met een zeer geringe opvoerhoogte, die het water als het ware ‘opstrijkt’ van de ene naar de andere boezem) gebouwd bij Rustenburg en Oudorp.
Later zijn er 5 strijkmolens gebouwd bij Lutjewinkel. De aanleg van de Groetpolder na 1844 bracht weinig verandering in het lozen van overtollig water dat dan via een aangelegd waterbekken, ten noorden van de Westfriesedijk, en de sluizen in de nieuwe zeedijk kon worden gespuid.

De sluizen vóór de bouw van het stoomgemaal
Het stoomgemaal
In een op 20 mei 1891 geschreven brief aan ‘Hun Edelachtbaren, Heeren Dijkgraaf en Heemraden van het Ambacht van West-Friesland, genaamd Geestmerambacht’ opgesteld door Het bestuur van den polder Valkkoog, P. de Boer (voorzitter) en N. van Albada (secretaris) klagen deze gemachtigden hun nood over het steeds stijgende peil in de polders tijdens de voor- en najaars-bemaling op de Raaxmaatsboezem* mede doordat de toenemende watermachines in de polders van het Ambacht het voortdurende hoge peil in de hand werken. De voor dat doel aangelegde sluis te Aartswoud heeft niet die gunstige uitkomsten opgeleverd zo zeer als men dat gehoopt en verwacht had. (door het steeds vaker hoog staande water in de Zuiderzee kon er minder worden gespuid, red.) Naar hun mening was er slechts één afdoend middel ter verbetering van de waterafvoer van de Raaxmaatsboezem te verkrijgen door het plaatsen van een flink Stoomgemaal vóór de sluis te Aartswoud. Er werd nog aan herinnerd dat zij in 1876 en later bij vernieuwing in 1879 reeds hun wensen in die zin hebben geopenbaard en sindsdien in hun overtuiging zijn versterkt dat alleen een krachtig werkend Stoomgemaal aan die onhoudbare toestand een einde kan maken.

Detail van een kaart uit 1875 met in kleur de Raaksmaatsboezem
Op den duur kwam het ambacht niet onder de bouw van een stoomgemaal uit. In diverse polders, waaronder de Heerhugowaard, was men al tot de bouw van dergelijke installaties overgegaan.
Door gebruik van de nieuwe gemalen kon het overtollige water sneller worden uitgemalen waardoor de waterbelasting van de Raaksmaatsboezem toenam. Steeds vaker werd het peil bereikt waarbij de polders hun molens en gemalen moesten stilzetten met alle gevolgen van dien.
Het Ambachtsbestuur nam tenslotte de architect van het Hoogheemraadschap van de Uitwaterende Sluizen, A.H.D. Rups te Edam, in de hand die een rapport over de waterlozing van de Raaksmaatsboezem opstelde, waarin de bouw van een stoomgemaal werd aanbevolen. Dit ontwerp werd op 8 november 1893 door de Hoofdingelanden met 15 stemmen vóór en 12 stemmen tegen, aanvaard. De heer Rups werkte verder ook de bouwplannen voor een dergelijk gemaal uit. Uiteindelijk werd in november 1893 definitief tot de bouw van een stoomgemaal aan het einde van de Langereis in de Omringdijk besloten. Dit gemaal kwam in mei 1895 gereed.

Uitsnede smeekbrief
Voordat de bouw een aanvang nam diende eerst de boerderij, bewoond door Familie G. Vel en tot die tijd bereikbaar via een houten steg (brug) langs de binnenzijde van de sluizen, te worden gesloopt en herbouwd aan de oostzijde van het water en sluizen, nu Westfriesedijk 2.
In korte tijd na het besluit van het bestuur werd het werk aangenomen voor ƒ 102.793,- door aannemer P. van Doornik uit Warder voor uitvoering van het grond- en bouwwerk. De machines zijn besteld bij machinefabriek Louis Smulders te Utrecht voor de prijs van ƒ 47.450,-. Al binnen anderhalf jaar kon met het proefmalen worden begonnen op 22 mei 1895. De aandrijving van de twee schepraderen, met een diameter van acht meter, wordt uitgevoerd door twee horizontale stoommachines van elk 160 Pk. De machines worden gevoed door 3 stoomketels waarvan er normaal twee in bedrijf zullen zijn en de derde in geval van storing en onderhoud wordt ingezet.

Het stoomgemaal op een ingekleurde prenbriefkaart
‘Tot nog betere beheersing van de waterstand van het Ambacht van West-Friesland, genaamd Geestmerambacht heeft men in 1894 binnen de bedijkte boezem, nabij de sluizen een krachtig stoom-schepradgemaal gebouwd.
Dit nieuwe stoomgemaal heeft een opbrengst van 600 m3 per minuut, bij een boezemwaterstand bij het gemaal van 0,68 meter – NAP (Nieuw Amsterdams Peil) en 475 omwentelingen per minuut van beide schepraderen’. Aldus Pieter Bossen in zijn Kroniek.

Schepraderen van het gemaal
Het ambacht bleef gevrijwaard van overstromingen tijdens de stormvloed in januari 1916. Tijdens deze ramp braken de dijken van Waterland en van de Anna Paulownapolder door, hetgeen de aanleiding vormde voor de provincie om het beheer van de zeedijken en de belangrijkste binnendijken in één hand onder te brengen. Hiertoe werd een nieuw waterschap gesticht, het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier dat in december 1921 het onderhoud en beheer van de bedoelde waterkeringen, inclusief de complete Westfriese Omringdijk, daadwerkelijk overnam.
Het Geestmerambacht bleef nog slechts verantwoordelijk voor de, binnen het eigen gebied, in de Omringdijk gelegen kunstwerken als gemalen, sluizen en duikers.
Granzende tandwielen
In januari 1911 heeft machinist Floor Mienis in een zeer nette brief met ontzag voor het bestuur zijn zorgen geuit over de grote tandwielen die de schepraderen aandrijven. Deze tandwielen, wel 5 meter in diameter metend, zijn ten opzichte van de eerste tijd een ‘granzend’ geluid gaan maken hetgeen Mienis de angst deed voelen dat deze bij volle snelheid kapot zouden lopen. Hij draaide daarom tot
nog maar maximaal 80% van het toerental bij volle snelheid wat een probleem zou kunnen geven bij veel aanbod van water en waardoor het spuien beperkt zou zijn.
Machinefabriek ‘Jaffa’, Louis Smulders & Co die de installatie heeft geplaatst in 1894, heeft de tandwielen ter plaatse onderzocht en op 1 februari 1911 en verklaard ‘dat de schokken die geregeld in die wielen voorkomen, als de machines in werking zijn gesteld, niet van nadelige invloed daarop zijn’. Aan Mienis werd op zondagmiddag 5 maart tijdens een bezoek door de opzichter van het Geestmerambacht, de heer Wartenhorst, gevraagd vrijuit zijn mening te geven. Mienis stak niet onder stoelen of banken dat het antwoord van Smulders niet naar zijn zin was! Hij heeft voorgesteld het probleem tijdens het bezoek van het Bestuur van het Geestmerambacht in mei (1911) nog eens te bespreken. In een brief van Louis Smulders op 16 februari werd de diagnose nog eens bevestigd.
Tussentijds werd door Ingenieursbureau Van Gendt te Nijmegen een beroep gedaan op machinefabriek P.M. Duijvis & Co te Koog aan de Zaan, getuige het antwoord van dit Zaanse bedrijf op 21 juni 1911 waarin de heer P. Duijvis schrijft:
‘1 ste, dat we geen benzine-motoren maken of vertegenwoordigen,
2 de, dat we geen gelegenheid hebben (door buitengewone drukte) de werkzaamheden aan het stoomgemaal van het Geestmerambacht uit te voeren.’
Het gesteggel over de wel of niet deugende kamwielen (tandwielen) duurde voort tot eind 1911. Op 9 december 1911 werd door het bestuur van het Ambacht West Friesland, genaamd Geestmerambacht een overeenkomst met machinefabriek Gruson & Co opgesteld getekend door dijkgraaf D. Wagenaar en zijn secretaris.
Op datzelfde document werd de overeenkomst op 16 december 1911 met een stempel en handtekening bekrachtigd door Otto Gruson te Magdeburg-Buckau van ijzergieterij en machinefabriek Gruson & Co (later Krupp). Hierin verbinden de contractanten zich voor het door Gruson & Co laten gieten en snijden van de tanden volgens de aanbieding, gedaan op 30-11-1911.

Vlnr. Stoker Jac. Kuiper Rzn, Floor Mienis en Kees Mienis
‘De contractant verbindt zich tot het leveren van twee stel tandwielen die een kracht kunnen overbrengen van 84 Paardenkrachten bij een draaisnelheid van 5 omwentelingen per minuut. Het bestuur verplicht zich een bedrag aan contractant te voldoen van 8560,-- Mark na levering, montage en goed bevinden.

Stoker Gert Leijen
De levering is besproken in twee fasen op 15 april en op 15 mei 1912 aan de kade bij het stoomgemaal te Aartswoud op kosten van de contractant.’
Dat de levering is gelukt blijkt uit een briefje van beurtschipper Gerrit Kooij uit Oudkarspel voor het transport van twee stel kamraderen vanaf Amsterdam naar het watergemaal te Aartswoud voor de somma van 110,-- Gulden. ‘Gedaan te Oudkarspel, 23 Januari 1913’. De levering zou, zoals hiervoor genoemd, uiterlijk op 15 mei 1912 aan het stoomgemaal te Aartswoud moeten plaatsvinden.Of er sprake is van een te late of uitgestelde levering en waarom dat pas in januari 1913 zou zijn gebeurd is uit de documenten niet duidelijk geworden.
Explosieveiligheid
De stoomketels die de hoge druk leveren, om de machines in beweging te zetten die deze dan van een rechtlijnige beweging via een krukas naar een draaiende beweging omzetten voor aandrijving met tand- en vliegwielen naar de schepraderen, dienen volgens de ‘stoomwet’ door ingenieurs van ‘het Stoomwezen’ periodiek (om enkele jaren) te worden gekeurd op explosieveiligheid.
Het bestuur van Geestmerambacht wordt op de hoogte gebracht met een bericht, gedateerd 24 mei 1919 van een gepland inwendig onderzoek van ‘de 3 ketels van uw gemaal te Aartswoud’ te geschieden op woensdag 18 juni a.s. De ketels dienen dan: geheel ledig, koud, gereinigd (afgebikt) en open te zijn.
Door Ingenieur voor het Stoomwezen in 4de district A.C. van de Stadt.

Drie ketels van het stoomgemaal
Na een keuring door het Stoomwezen schreef Floor Mienis op 25 juni 1917: ‘Edelachtbare Heer! Zaterdag 23 juni is den Heer opzichter van het Stoomwezen op Aartswoud gestart voor inwendig onderzoek van de ketels liggende in het stoomgemaal aldaar. Ik kan melden dat hij ten eersten tevreden was over de wijze van onderhoud. Wij hebben lang te samen gesproken, en ik deelde hem mede dat ik aan den Heer Dijkgraaf had voorgesteld de Stoomleidingen te persen, hij vond het uitstekend, want zeide hij, daaraan wordt veel te weinig aandacht geschonken. Dus de ketels zijn weer voor twee jaar goedgekeurd en wij willen hopen, als die twee jaar om zijn dan maar weer opnieuw. Want als de Heeren nu nieuwe ketels moesten hebben, dan zou er eenvoudig geen betalen aan zijn, en U zou ze ook niet eens kunnen krijgen.

Het stoomgemaal in volle glorie
Hoogachtend en Beleefd Groetend,
F. Mienis.’
Elektrisch licht
In den lande werd in de jaren 20 - 30 van de vorige eeuw langzamerhand een elektriciteitsnet aangelegd om bedrijven en later ook de burgers van het gemak hiervan te kunnen laten profiteren. Tot dan werd er gebruik gemaakt van kaars-, olie-en gaslicht, zo ook in het stoomgemaal dat was voorzien van gaslantaarns.
Het bestuur was van zins het toch wat beperkte gaslicht te laten vervangen door een elektrisch systeem in het gemaal, de smederij en de bergplaats maar ook in de naastgelegen machinistenwoning met in elke kamer een lichtpunt en op een aantal plaatsen buiten.
Verschillende installateurs werd gevraagd een offerte te maken voor de ombouw, onder hen bevond zich ook Electro Technisch Bureau J. de Vries te Aartswoud (gem. Hoogwoud). Het bedrijf van Jan de Vries zat tot in de jaren 60 aan Zuiderzeestraat 21 te Aartswoud.
In de offerte van Electrotechnisch Bureau J. de Vries, van 21 januari 1931, gezonden aan de heer Schuitemaker (secretaris Geestmerambacht) , werd verwezen naar het onderhoud met de heer Wartenhorst (opzichter) over een te installeren electrische lichtinstallatie. Samen met de verstrekte installatie-tekening werd de aanbieding gedaan voor de somma van ƒ 525,00 inclusief montage en materiaal. Helaas ging dit aan de neus van J. de Vries voorbij en viel de opdracht toe aan Electrotechnisch Installatie Bureau A. Groot Nzn. te Noord-Scharwoude.

Briefhoofd J. de Vries
Betrokken machinist
Een leuke anekdote werd verteld over de machinist (naar vermoeden Floor Mienis) van het stoomgemaal, die per fiets een paar dagen op familiebezoek was gegaan naar Friesland. Op het moment dat hij in Friesland te horen kreeg dat er vanuit het westen een regenfront aan zat te komen, nam hij afscheid, stapte op de fiets, en arriveerde diezelfde dag nog in Aartswoud. In de avond rookte de schoorsteen en werd spoedig met het ‘voormalen’ begonnen. De machinisten hadden een grote zorg voor de machines en het kundig op peil houden van de waterhuishouding. Het ‘voormalen’ werd gedaan om ruimte maken voor extra watertoevoer bij regenval en zo het waterpeil in de Langereis en andere watergangen op een veilig niveau te houden.

De laatste machinist IJze List met vrouw, zoon Jan in de zijspan.
Sluiting
Na ingebruikname van het nieuwe dieselgemaal De Waakzaamheid bij Winkel in 1959 zouden twee in ons landschap zo bekende gemalen na een ‘langdurige en trouwe dienst’ verdwijnen. Het gemaal bij Aartswoud had 65 jaar lang zijn diensten bewezen zonder grote herstel- of revisie-werkzaamheden, doch werd in 1959 definitief stopgezet.
Uiteindelijk is tot de sloop overgegaan in 1970, tot groot verdriet van de Aartswouder bevolking. Maar er was in de laatste 10 jaar dusdanig veel vernield en gestolen (met name koperwerk) dat herstel van het gebouw, van de machines en ketels een te grote investering zou vergen. Het gemaal had grote invloed op het waterschap en vooral op de omgeving; als je als inwoner op reis was geweest dan kwam je pas thuis als je het stoomgemaal zag. Ook de bushalte ‘Stoomgemaal’ was niet weg te denken en nog steeds wordt die term gebruikt.

Sloop gemaal
Burgemeester Breebaart (gemeente Hoogwoud) nam op veler verzoek de beslissing om een monument ter herinnering aan het stoomgemaal te plaatsen in Hoogwoud! Dat laatste was echter tegen het zere been van de Aartswouder bevolking.
De vliegwielen werden ontvoerd en verborgen tot er overeenstemming was om het monument in Aartswoud te plaatsen. Over deze geschiedenis is een boekje uitgebracht.
Wat is er nog over van het oude Stoomgemaal ?
- De fundering naast de sluizen is er nog weliswaar door natuur overwoekerd
- Sommigen hebben nog wat onderdeeltjes (bouten, moeren e.d.) kunnen bemachtigen
- Hoogheemraadschap NHNK heeft een mechanische oliepomp en andere zaken in bezit
- De eens zo trotse windwijzer boven op de gevel prijkt nu op een boerenschuur aan Groetpolderweg 43
- Het ‘Vliegwielmonument’ is verrezen langs ’t Krom tegenover Schoolstraat 62 in Aartswoud

Monument vliegwielen
Dit artikel is mede tot stand gekomen door eerder verschenen artikelen, geschriften en informatie van:
- Kroniek van de dorpen Aartswoud en Hoogwoud door P. Bossen (oud-directeur Zeevaartschool) opgegroeid in Aartswoud
- Inventaris van het archief van het ambacht van West-Friesland, genaamd Geestmerambacht 1439-1941 (1942) Toeg.nr. NL-A mr RAA-86.2.007 en Dhr. D. Aten (NHNK)
- Regionaal Archief Alkmaar
- Hoogheemraadschap Noord-Hollands Noorderkwartier
- Foto’s Sonja Mooij (in herinnering Cees Modder)
