Stichting Hoochhoutwout biedt u het heden en het verleden van de (vroegere) gemeente Hoogwoud (Hoogwoud, Aartswoud, De Langereis, De Gouwe, De Weere). De Stichting Hoochhoutwout heeft als doelstelling om de (vroegere) gemeente Hoogwoud in al haar facetten te belichten.

Straatnamen in Hoogwoud

De Adriaen Slickerstraat

Door Niek Dekker

De Adriaen Slickerstraat is genoemd naar de Aartswouder grootschipper Adriaen Claesz. Slicker. Vanuit verschillende standplaatsen voer hij vanaf 1682 jarenlang op het schip de Charlotte Amalia op havens aan de Oostzee en af en toe op Engeland, Frankrijk en Portugal. Pieter Bossen wijdt, in zijn Kroniek van de dorpen Aartswoud en Hoogwoud, een aantal bladzijden aan Adriaen Slicker en zijn zoon Cornelis, ook grootschipper. Het hoogtepunt van de Nederlandse handelsvaart was voorbij toen Adriaen schipper werd. Het rampjaar 1672 markeert het begin van de terugval.

Nederland raakte in oorlog met Frankrijk (tot 1679) en Engeland (tot 1674). De kosten van alle militaire verrichtingen beëindigden mede de Gouden Eeuw.

 

Adriaen Claesz. Slicker

Wapen: Gevierendeeld: I en IV in zilver een groene bebladerde korenplant met gouden aar, ter weerszijden vergezeld van een gouden hopbel met de groene steel omhoog; II in rood een gouden (zaad-) schop, rechtopstaand met de steel omlaag; III in rood een gouden ier-(slik-)emmer, schuinrechts geplaatst met de steel omlaag.

 

Familiewapen Dirk Slicker op een glas-in-lood raam in de Bonifatiuskerk in Medemblik.

De familie Slicker

De geboortedatum van Adriaen Claesz. Slicker heb ik niet kunnen vinden. Als hij in 1682 grootschipper was, zal hij rond 1660 zijn geboren. Zijn overlijdensdatum is wel bewaard gebleven in de doop, trouw-en begraafboeken van de hervormde gemeente van Aartswoud.

Hij stierf op 31 mei 1732. Adriaen was de zoon van Claes Pietersz. Slicker. Hij trouwde met Trijntje Cornelisdr. Ze kregen drie kinderen. Twee zoons, Cornelis en Pieter (1699 – 1762) en een dochter Hiltje. De zoons werden ook grootschipper.

Cornelis bleef gevestigd in Aartswoud als schipper op de Kleyne Wiltschut. Pieter vertrok in 1731 naar Nieuwendam waar hij in 1762 werd begraven. Hij was schipper op de Josina.

 

De familie Slicker woonde in Aartswoud aan de Dijkerbuurt, aan de Westzijde Noord dus dicht bij de Zuiderzee (zie ook de afbeelding van de kaart van de dijk uit 1638 waarop een rijtje huizen langs de dijk is te zien). Dat blijkt uit het boek der verpondingen, waarin in 1733 werd genoteerd dat voor het huis van Adriaen (toen al overleden) 12.10.0 belasting moest worden betaald. Ook in de lijst van lidmaten van de kerk in Aartswoud van 12-10-1704 wordt dit als adres van Adriaen en Trijntje genoemd.

De Adriaen Slickerstraat.

De Slickers bezaten ook land bij Aartswoud. Burgemeester Jacob Koorn, die bijna de helft van de grond rond Aartswoud bezat, huurde, volgens het door hem bijgehouden shultregister, in ieder geval van 1737 tot 1750 land van de gebroeders Cornelis en Pieter Slicker. De eerste 9 jaar 1,5 morgen (ongeveer 1,28 hectare) en de laatste 5 jaar 1 morgen en 268 roeden (ongeveer 1,23 hectare). Het laatste jaar, 1750, huurde hij dat land van Trijn Slicker. Koorn hield koeien, schapen, varkens en paarden. Hij verbouwde ook tarwe, rogge en vlas.

Uit het verpondingsboek


Zeebrief, het nationaliteitsbewijs van een zeeschip. Adriaen was in 1709 schipper op de Hoop.


DTB Aartswoud, benoeming Adriaen tot ouderling op 1 januari 1712.

De laatste genoteerde reis van Adriaen als schipper was langs de Sont in oktober 1710. Daarna is hij waarschijnlijk gestopt als schipper, want op 1 januari 1712 werd hij benoemd tot ouderling van de kerk in Aartswoud. Dat ambt kon niet worden uitgeoefend door iemand die vaak een groot deel van het jaar niet in het dorp aanwezig was.

 

Aartswoud in 1726. 
Uiterst links is een fluitschip te zien op de hoogte van de sluizen van de Langereis.
Rechts ervan een mast met wimpel, denkelijk een trekschuit die voer op de Langereis.

Grootschipper

Dit was de benaming van een schipper of gezagvoerder op een zeeschip. Hij was lid van een grootschippersgilde. De schepen waren geen eigendom van de schipper en meestal ook niet van een enkele koopman. Het scheepsbezit was verdeeld in parten, die eigendom waren van soms een groot aantal personen. Op die manier werd het risico gespreid. Deze schippers voeren vooral naar de landen rond de Oostzee, maar ook naar Engeland, Frankrijk en Portugal. Men voer meestal in opdracht van kooplieden. Er werd met een kleine bemanning van zo’n twaalf man op relatief grote schepen, vooral fluitschepen, gezeild. De bemanning bestond behalve de schipper uit een stuurman, een hoog bootsman, een timmerman, een scheepskok, bootsgezellen en matrozen. Grootschippers verdienden redelijk tot goed en behoorden tot de hogere lagen van de samenleving.

 

Kaart Oostzeegebied, met de belangrijkste havenplaatsen. (Elseneur = HelsingØr en Reval = Tallinn).

 

Havenplaats Aartswoud

Aartswoud moet een levendige havenplaats zijn geweest in de Gouden Eeuw. Het dorp beschikte over een schoolmeesters die lessen gaven in stuurmanskunst. In de tijd van Adriaen waren dat Jacob de Beurs en zijn zoon Johannes. In 1630 had Aartswoud zo’n 600 inwoners. In 1647-1648 telde Aartswoud maar liefst 41 schippers die op Noorwegen voeren vooral om, vaak voor eigen rekening, hout te halen, de zogenaamde Noordvaarders. Hout was nodig voor scheepsbouw, huizenbouw en dijkwerken. In 1645-1646 werden in de haven van Hoorn 196 schepen geregistreerd komend van of gaand naar Noorwegen. Daarvan werden er 61 bemand door schippers uit Aartswoud. In 1652-1653 waren dat er 128 waarvan 38 met schippers uit Aartswoud. De scheepvaart was een belangrijke stimulans voor de economie van het dorp.

In de jaren 1630-1640 was Aartswoud het enige dorp in het belastingdistrict Medemblik dat nog een duidelijke groei vertoonde. Hoogwoud telde in die jaren 16 zogenaamde Noordvaarders. Er is berekend dat in 1680 ongeveer 70% van de Aartswouder beroepsbevolking een beroep in de zeevaart had. Er woonden toen 123 families in het dorp, waarvan 36 met een gezinshoofd dat zeevarend was. Hoogwoud telde toen 20% zeevarenden onder de beroepsbevolking uit 227 families.

Uit de Sont tolregisters blijkt dat tussen 1636 en 1688, 52 verschillende Aartswouder schippers een of meerdere malen de Sont passeerden naar of vanuit de Oostzee. Tussen 1681 en 1720 telde Aartswoud 90 zeelieden waarvan er 31 schipper waren. Deze schippers voeren meestal niet voor eigen rekening, maar voor opdrachtgevers uit met name Amsterdam. Adriaen Slicker was een van hen.

Op onderstaande kaart uit 1638 (rechts) is te zien dat het concept uit 1538 (links) voor een nieuwe haven bij Aartswoud, 100 jaar later niet is uitgevoerd.

De kaart uit 1638 laat twee in zee uitstekend hoofden zien (van hout?). Hier konden de schepen in de luwte van de dijk liggen.

 

Chaerte van tconcept vande nyenwe haven tot Eertswoude (1538).


Detail van de Caerte vertonende den dijck vande vier noorder coggen,

getekend door beëdigd landmeter Jan Cornelisz. Schagen (1638).

Moedernegotie

De handel op de Oostzee via de Sont wordt wel de moedernegotie genoemd, de belangrijkste handel in die tijd. Hier werd de basis gelegd voor de Gouden Eeuw van de Republiek. De handel was belangrijker voor de welvaartsgroei dan de VOC of de WIC. Raadpensionaris Johan de Witt zag het in 1671 als de ‘source ende wortel van de notabelste commercie ende navigatie deser landen’. Het bracht Amsterdam de rijkdom die nodig was om de VOC op te richten.

Nederlanders handelden al op de Oostzee vanaf het begin van de 15de eeuw. Om in de Oostzee te komen, moesten de schippers door de Sont, een zeestraat tussen Denemarken en Zweden. Daar werd vanaf 1429 tol geheven, waar van 1497 tot 1857 registers werden bijgehouden, die bewaard zijn gebleven. In 1497 was meer dan de helft van de schepen die de Sont passeerden uit Holland afkomstig. Aanvankelijk werd er vooral laken geëxporteerd uit Vlaanderen en Schotland, later ook Hollandse zuivelproducten en specerijen en andere bijzondere producten uit Oost-Indië.

Amsterdam was hiervoor het tussenstation of de stapelmarkt. Uit Frankrijk en Portugal werd vooral zout en wijn naar het Noorden gebracht. Het Oostzeegebied leverde graan, hout, stokvis, koper, teer, huiden, hennep, vlas en salpeter, een belangrijke grondstof voor buskruit. Op de terugreis werd vooral hout en graan meegevoerd, maar ook teer, wapens en dierenhuiden. Als er geen vracht was voor de reis werd als ballast zand, tegels en bakstenen meegenomen.

De eerste keer dat Adriaen met zijn schip tol moest betalen bij de Sont was op 6 december 1682, de laatste keer 19 oktober 1710. Van Adriaen zijn, behalve op de Oostzee, vaarten bekend op Londen, La Rochelle, Nantes, Bordeaux, St. Martin de Ré, Seudre, Bourgneuf en Setúbal.

Stockholm en Tallinn werden de eerste jaren als zijn thuishavens genoteerd. Vanaf 1690 tot en met 1698 was zijn thuishaven Kopenhagen, wellicht vanwege de negenjarige oorlog van de Republiek en Engeland met Frankrijk (1688-1697). Eenmaal in 1688 en vanaf 1702 tot zijn laatst bekende reis in 1710, wordt Aartswoud als zijn thuishaven genoteerd.

De Sontpassages van Adriaen Claesz. Slicker

In de laaggelegen gebieden in Holland en Zeeland was graanverbouw vanwege de wateroverlast gedurende en na de Middeleeuwen complex, beter gezegd: bijna onmogelijk. De grond was te vochtig, werd dan wel droog gepompt, maar klonk daardoor in. Door de inklinking daalde de grond verder, waardoor het gebied nog kwetsbaarder werd voor overstromingen.

Daarom schakelden veel boeren in Holland, Zeeland en andere kustgebieden over op veeteelt of specialiseerden zich in de productie van bijvoorbeeld hennep of vlas. Ook aan vlees, boter, kaas en eieren was in de Nederlanden geen gebrek. Maar waar moest het broodnodige voedsel dan vandaan komen? Uit de graanhandel met het Oostzeegebied. Dit Baltische graan voorzag de Republiek van een overvloed. Daarbij was het Oostzeegraan voor Hollandse begrippen heel goedkoop. Dus werd er flink ingeslagen. Veel pakhuizen en gebouwen in het centrum van Amsterdam werden in de 16de en 17de eeuw gebouwd om al dat graan in op te slaan. Amsterdam was al in de 16de eeuw dé stapelplaats van Europees graan. En op momenten dat er in de regio rond het Middellandse Zeegebied voedseltekorten waren? Dan verhandelden de Amsterdammers het graan door tegen soms enorme winsten.

Hoorns schip bij kasteel Kronburg

Van de 48 reizen van Adriaen die ik heb gevonden, gingen er 33 van of naar Amsterdam. De schepen waarmee werd gevaren konden niet zonder hulp in de haven van Amsterdam komen. Bij Pampus werd gebruik gemaakt van zogenaamde scheepskamelen waarmee de schepen over de ondiepten werden getrokken. Vaak werden de schepen afgemeerd op de rede van Texel, waar de lading werd overgebracht in kleinere schepen met minder diepgang, de lichters.

En omgekeerd brachten de lichters de scheepslading van Amsterdam naar Texel.

 

Uit het Sont tolregister: Passage van Adriaen Slicker op 9 juli 1706.

De Sonttol

Deze tol werd in 1429 ingesteld door koning Erik VII van Denemarken.

Alle buitenlandse schepen die de Sont passeerden moesten in Helsingør tol betalen aan de Deense kroon. Indien een schip weigerde te betalen, werd het vuur geopend vanuit Kasteel Kronborg, dat in 1420 speciaal voor dat doel was gebouwd op een vooruitstekende landtong bij Helsingør.

Dan moest ook voor het afvuren van een kogel, belasting worden betaald de zogenaamde fyrepenge.

In 1567 werd de tol veranderd in een belasting op de lading van het schip, waarmee de inkomsten verdrievoudigden. Om te voorkomen dat schepen een andere route namen, werd ook tol geheven in de Grote Belt en de Kleine Belt. De Sonttol was eeuwenlang de belangrijkste bron van inkomsten voor de Deense kroon, waardoor de Deense koningen relatief onafhankelijk waren van de Deense kroonraad en aristocratie.

Toen Adriaen zijn reizen door de Sont begon, was de bloeitijd van de handel op de Oostzee al voorbij. De Oostzeevaart is na 1640 van ondergeschikt belang geworden. Oorzaken waren: de nadelige invloed van de Eerste Engelse Oorlog (1652-1654), de opkomst van de walvisvaart, de houthandel en de scheepsbouw (die als winstobjecten meer aandacht trokken) en de opkomst van andere Nederlandse gewesten. Adriaen voer toch vooral op het Oostzeegebied, ik kwam zijn naam 48 keer tegen in de Sont tolregisters. Zijn zoon Cornelis op het schip de Kleyne Wiltschut wordt in de registers 36 keer (van 1717 tot en met 1739) genoemd. Zoon Pieter op de Josina in 1725 en 1728 slechts 3 keer.

 

Het fluitschip

Het schip de Charlotte Amalia, waarmee Adriaen heeft gevaren, was een fluitschip. Dit scheepstype ontstond in Noord-Nederland aan het einde van de 16de eeuw uit experimenten met het verlengen van bestaande schepen. Schepen met deze verlengde romp, waren er al in 1588.

Pieter Jansz Vael, beter bekend als de koopman Pieter Jansz Liorne uit Hoorn, ontwierp in 1595 een nog slanker onbewapend schip. Kenmerkend waren een rond, versierd achterschip en een invallend bovenboord, dat het schip zijn peervorm gaf. Voor die vorm was een belangrijke economische reden.

De hoogte van de Sonttol hing af van de breedte van het dek. Door het smalle dek boven het brede ruim kon een maximale lading tegen een minimale tol worden vervoerd. Deze manier om tol te berekenen bleef tot 1669 in gebruik. Schepen die daarna werden gebouwd kregen een breder dek.

Het fluitschip

De fluit was bijzonder geschikt voor de handelsvaart in Europa door het beperkte aantal bemanningsleden dat nodig was om het te zeilen (ongeveer 12 tegen ongeveer 30 voor andere typen schepen van vergelijkbare afmetingen) en de geringe diepgang. Tevens was de fluit sneller en stabieler dan veel andere schepen, en had hij meer laadvermogen.

De tuigage was gelijk aan die van andere driemasters: een fokkemast, een grote mast met elk maximaal drie razeilen, en een bezaansmast met een Latijnzeil en soms een kruiszeil. Bij de boegspriet werden nog één of twee ‘blinden’ gevoerd. Aan de Gouw op boerderij Hoochhoutwout laat een gevelsteen uit 1671 een brik zien, een bewapende koopvaarder. De toenmalige bewoner moet wel een schipper zijn geweest. Behalve deze gevelsteen en het scheepje op de stompe toren van de kerk in Aartswoud, is er in de omgeving weinig dat nog herinnert aan het scheepvaartverleden van het dorp.

 

Gevelsteen van boerderij Hooghhoutwout

Risico’s

De scheepvaart bracht in die tijd enorme risico’s met zich mee. Er werd vaak in konvooi gevaren onder bescherming van bewapende schepen. In oorlogstijd, maar ook vanwege kapers die de schepen buit wilden maken. Natuurlijk was ook het weer van grote invloed, storm, tegenwind en ijsgang belemmerden vaak de vaart.

Adriaen overkwam het in 1687, zijn stranding op de Engelse kust haalde de krant.

In een scheepsverklaring van 13 februari 1728 opgemaakt in Amsterdam, getuigen stuurman Jan Cornelisz. Buijs, bootsman Jelle Jansz., kok Hendrik Sjoertsen en matroos Reijndert Cornelisz. van de Kleyne Wiltschut onder schipper Cornelis Adriaensz. Slicker tegenover notaris Mr. Mathijs Maten de Jonge waarom hun reis zo lang heeft geduurd en waarom een deel van de lading ontbrak of was beschadigd. Er zijn twee getuigen bij het gesprek aanwezig: Johan George Exleman en Nicolaas Decker de Jonge.

De manschappen verklaren dat het schip in Danzig is geladen met:’ses partije Tarwe, een partij Rogge, en Voorts met Woll, Veeren, Linne, een partij Schoppen, en eenige andere goederen’, en laten weten dat ‘dat devoorn. partijen Tarwe en Rogge in’t innemen wel en na behooren in’t voorn. schip met matten van den anderen, en van de verdere goederen zijn afgescheijden en gesepareert, en neevens de verdere goederen behoorlijk in’t voorschip geplaast geworde’ en verder’Dat ’t voorn. schip voor’t laden was digt, hegt en welgecalfaat, alsmeede behoorlijk gegarniert, en verders naar seemansgebruijk van alles voorsien en versorgt, en voor hun vertrek de luijken met prosenningen gedekt, en digt toegeschalkt, ende masten en pompen met cragen naar behooren voorsien, sulx hun voorn. schip bequaam was, coopmansgoederen oover Zee te voeren.’

Uit de Opregte Haarlemsche Courant van 2 oktober 1687.

 

Kortom aan boord was alles in orde bij vertrek uit Danzig op 15 oktober. Vanaf 17 oktober krijgen ze dagenlang te maken met zwaar weer. Op 5 november komen ze aan in de Sont. De wind is tegen en ze moeten wachten tot 17 november voor ze weer kunnen uitvaren. Het lukt niet en de 18de zijn ze al weer terug. Op 22 november proberen ze het opnieuw. Het weer blijft tegenzitten, op 2 december zijn ze genoodzaakt om de haven van Swijneur (?) in Noorwegen binnen te lopen. Pas op 11 december zeilen ze weer uit. Drie dagen later moeten ze door de voortdurende storm weer een haven opzoeken. Dit keer Struijsfioert (?). Dat blijkt een lastige klus, want: ‘alleen met adsistentie van een loots, maar ook met hulp en adsistentie van ’t volk van nogh twee scheepen, die mede daar lagen, sijnde sijlieden bij ’t zelve inkomen geweest in groot gevaar, om schip en goed te verliesen, en hebbende alstoen mede zeer veel zeewater en zee stortingen op en in hun schip overgekreegen’

Handtekeningen onder de scheepsverklaring

Pas op 19 januari vervolgen zij hun reis richting hun thuishaven. Ze verklaren: ‘dat zij den 23ste dito in Texel binnengekoomen, en den eersten feb. voor dese stad gearriveert sijn, nadat sijlieden alvorens tusschen Texel en dese stad, in twee lighters van hunne ladinge gelost en deselve ligters na dese stad opgezonden hadden;

Dat na hun arrivement voor dese stad hare resterende ladinge gelijk gelost en uijtgeleevert is geworden, uijtgesondert omtrent ses scheepels rogge, die in Noorweegen tot brood gebakken en door ’t scheepsvolk geconsumeert is en voorts nogh de partij veeren en wat matschudding, die nog in’t schip ten dienste der eijgenaars leggende is;

Ze geven aan dat er niets van de lading is ontvreemd en dat hetgeen aan de lading mankeert veroorzaakt is door het vele water dat tijdens de reis over het schip is gespoeld en dus ‘dat ’t selve niet en sal veroorsaakt sijn door mancquement oft onbequaamheijt van’t schip, ofte ook niet door agtelooshijd van ’t scheepsvolk, als sijnde ’t schip wel geëquipeert en voorsien geweest, en hebbende ’t scheepsvolk geduurende de voorenstaande reijse zeemanschap gebruijkt, wel op de pompen gepast en deselve altijdt lens gehouden.

Geevende zij getuijgen voor Reedenen van Weetenschap, dat zij ten tijde en in maniere als vooren op ’t zelve schip gevaaren, en also ’t hierbij verklaarde in persoon bijgewoont en ondervonden hebben; praesenterende daaromme de goedetrouwe deser verklaaringe dan ook solemneelijk te bevestigen.’

De bemanning heeft het kortom goed gedaan, maar heeft heel veel pech gehad.

 

De zeevarende beurs

Zoals veel havenplaatsen had ook Aartswoud een steunfonds voor zeevarenden. Het was de gewoonte dat er zomers werd gevaren en dat de schepen in de winter werden opgelegd en gekalefaterd. In de wintermaanden werd er dus niets verdiend. In langdurige strenge winters kwamen daardoor gezinnen in de problemen. Hiervoor werd eind 17de eeuw in Aartswoud een gemeenschappelijk ondersteuningsfonds opgericht met de naam: de zeevarende of bootsgezellen beurs.

Het fonds was bedoeld ter verzekering van de plunje van de zeevarenden. De hoogte van de uitkering hing af van de sterkte van de kas. In 1698 werd een stichtingsacte en regelement opgemaakt. Uit de leden werd een bestuur gevormd. Het fonds werd door giften en legaten gevuld. Om lid te kunnen worden moest men een ducaton of zilveren rijder storten (waarde toen 3 gulden en 3 stuivers).

De scheepvaart verminderde in de 18de eeuw sterk. Met als gevolg dat er in 1802 nog slechts vier leden van het fonds waren. Het beheer van het fonds werd toen aan het dorpsbestuur overgedragen. In 1873 kwamen de bezittingen van het fonds onder het beheer van het armbestuur. Het fonds bezat onder andere een perceel land met de naam de Zeevarende beurs, groot 1.48.20 hectare. Aan de Schoolstraat op nummer 62 staat nog een huis met deze naam, op deze plek stond het voormalige armenhuis.

De naam Adriaen Slickerstraat werd bij raadsbesluit vastgesteld op 19 januari 1970.

Straatnaambord

Bronnen:

  • Bouwers van de zee, Piet Boon, 1996
  • Kroniek van de dorpen Hoogwoud en Aartswoud, Pieter Bossen, 1939
  • West-Friesland in oude kaarten, Marc. Hameleers, 1986
  • West-Friesland toen en nu 6 Het zeegat uit, John Brozius, 2009
  • Kalendarium, Geschiedenis van de Lage Landen in jaartallen, H.P.H. Jansen, 1971
  • Ach lieve tijd 14, 20 eeuwen West-Friezen en hun scheepvaart, 1999
  • Sonttolregisters, soundtoll.nl
  • DTB Aartswoud, Westfries archief Hoorn
  • Shultregister van Jacob Koorn, 1734 - 1748 entoen.nu
  • Wikipedia

 Website designed and build by

deanluma logo shade xsmall