Weergave van het telefonisch onderhoud met mevrouw T. de Weijver-Louw d.d. 21-01-1995, over de arrestatie en het verdere lot van burgemeester D. Hoogenboom.

Mevr. Trijnie de Weijer-Louw heeft van maart 1943 tot augustus 1950 (met uitzondering van 9 maanden onderduiktijd) op  het  gemeentehuis  van  Hoogwoud gewerkt en in oorlogstijd is zij getuige geweest van het samenwerkenen met de ondergrondse, wat betreft de voorziening van papieren en bonkaarten aan onderduikers. Zij is echter Fen lid van het verzet of ondergrondse geweest. Doordat zij op dezelfde dag  was  geboren  als  Beatrix Hoogenboom (18-10-1923), gaf dat een band  in  beider  Leven.  Deze is blijven bestaan tot Beatrix Hoogenboom verleden jaar februari is overleden (20-2-94). 

Burgemeester Dirk Hoogenboom zou niet gewenst hebben, am als een held op een voetstuk te worden geplaatst. Op 4 augustus 1943 feliciteerde een voormaIig raadslid, die na de oorlog weer raadslid werd, Hoogenboom met zijn 12112-jarig ambtsjubileum.  Dit jubiIeum kon wegens de omstandigheden niet worden gevierd. Het raadslid wenste Hoogenboom nog eens 12 1/2 jaar toe, zodat hij het 25-jarig jubileum mocht meemaken. De gelukwens viel bij Hoogenboom niet in goede aarde. Hij rukte zijn bril of en zei dat nog eens zo'n periode van 121 12 jaar van hem niet hoefde. Hij had immers in de dertiger jaren de crisistijd achter de rug en nu zat hij midden in de oorlogstijd. En thuis had hij onderduikers, waardoor Hoogenboom zich in een netelige positie beyond, die hij liever kwijt dan rijk was. 

Eerst was burgemeester Commandeur van Wognum slechts korte tijd bij de familie Hoogenboom ondergedoken, waarna deze naar  een  onderduikadres  in  Blaricum ging. Daarna kwam er een Joods echtpaar met de naam Haring uit Amsterdam bij de familie Hoogenboom; dit echtpaar had een debiel kind dat ergens in Drenthe was ondergebracht. Floor Kuiper, de timmerman, had in de slaapkamer van het Joodse echtpaar, bij het schuine dak een schuilplaats gemaakt. Als de bel ging, was dat in het hele huis te horen, om maar zo snel mogelijk in de schuilplaats te kunnen komen.

Bea Hoogenboom nam Trijnie Louw in vertrouwen, toen mevrouw Hoogenboom eens naar Duitsland ging. Zij vertelde dat er  Joodse onderduikers  bij  de  familie Hoogenboom waren. Dit naar aanleiding van Trijnie's vraag hoe Hoogenboom zo alleen  voor zichzelf moest zorgen:  er werd dan door mevrouw Hartog gekookt. 

Trijnie Louw werkte samen met burgemeester Hoogenboom op het gemeentehuis; slechts met zijn tweeen. Kort daarvoor was een ambtenaar ondergedoken, die tot dan toe ook op het gemeentehuis werkte, namelijk mijnheer Zwart, zoon van de burgemeester van Winkel, zodat Trijnie Louw met Hoogenboom alleen overbleef. 

De arrestatie van burgemeester Hoogenboom  en  het  Joodse  echtpaar vond plaats in juni 1944. Annie de Boer die bij de familie Hoogenboom in de huishouding werkte, heeft de arrestatie meegemaakt. Ze keerde 's middags geheel ontdaan terug naar huis. Vader De Boer, de aannemer, ging naar het gemeentehuis en zei dat Annie helernaal niks zei en dus overstuur was; daarom was hij naar het gemeentehuis gekomen en vroeg wat er was gebeurd, maar Trijnie Louw zei dat ze het niet wist. Samen zijn ze naar politie Fix naast het gemeentehuis gegaan, om te vragen wat er aan de hand was, maar ze kwamen niets aan de weet. 

De 20-jarige dochter Bea ging in Alkmaar op school en was dus op het moment van de arrestatie niet thuis. Trijnie sprak Bea toen die uit de bus was gestapt op de viersprong in Hoogwoud en zei tegen Bea dat er iets was gebeurd maar dat ze nog niet wist wat. Later kwam Bea naar Trijnie Louw haar huis, de smederij ofwel smidse, om te zeggen wat was gebeurd, namelijk het volgende. Er kwam een taxi met S.D.-ers.  Deze auto bleef ietsje verderop staan wachten. Een Jodin stapte uit en wandelde naar de burgemeesterswoning. Zij belde aan en mevrouw Hoogenboom deed open. De Jodin zei dat ze het Joodse echtpaar kende en vroeg of ze hen de groeten mocht doen. Mevrouw heeft haar geloofd, en is naar boven gegaan, naar de schuilplaats, heeft een   wachtwoord gezegd, waama het echtpaar tevoorschijn kwam. Toen de Joodse verraadster eenmaal het echtpaar had gezien, was het leed geschied: de familie Hoogenboom kon niet meer zeggen van niets te weten. Bovendien hoefde het huis niet meer te worden uitgekamd, wat vaak genoeg een tevergeefse bezigheid was. Kort na deze ontdekking,   kwam   een   S.D.-wagen voorrijden. Of dit de taxi was die ietsje verderop bleef staan wachten, is niet helemaal duidelijk. 

De S.D.-er zei tegen mevrouw Hoogenboom: "U kunt gerust uw man waarschuwen, hem zal niets overkomen". Zij heeft haar man inderdaad opgebeld; deze  is  op  de  fiets  gestapt  richting Aartswoud. De taxichauffeur uit Hoorn was "goed", van de goede kant : hij waarschuwde   de   timmerman   Floor Kuiper , lid van de ondergrondse, met de woorden "Ga burgemeester Hoogenboom tegemoet". Nadat ze elkaar gesproken hadden, is Hoogenboom toch naar huis gegaan om te voorkomen dat zijn vrouw en, eventueel ook zijn nog op school verkerende,        dochter         zouden        worden meegenomen. 

Terwijl het Joodse echtpaar Hartog direct zonder vonnis naar Duitsland is afgevoerd, is Hoogenboom in afwachting van een vonnis in de (nog   bestaande) Amsterdamse gevangenis aan de Amstelveenseweg enige tijd in voorarrest geweest. Tijdens het (schijn)proces werd hem ten laste gelegd dat hij Joden had verborgen. Hij werd veroordeeld en moest toen  naar  het  Nederlandse  strafkamp Vught. Burgemeester   Hoogenboom maakte het heel goed in Vught; hij werkte daar met voldoening in een bloemenkas. 

Na Dolle Dinsdag (5 september 1944) is burgemeester   Hoogenboom   naar  het Duitse   concentratiekamp   Buchenwald afgevoerd. Daar is zijn toestand snel achteruitgegaan omdat hij daar moest vechten om te overleven, om aan eten te komen, en daar was hij helemaal de persoon niet voor. Trijnie was na de oorlog bij een lezing door een Oostwouder die vertelde dat Hoogenboom in Buchenwald al zijn eten door anderen liet wegpikken.

Na de oorlog, tijdens een onderzoek van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar, zei een getuige onder ede, dat burgemeester Hoogenboom een gouden tand had; daaraan herkende of daarmee identificeerde hij Hoogenboom, dat Hoogenboom burgemeester zou kunnen zijn. Dit zou dan enkele dagen voor de bevrijding in mei 1945 gebeurd moeten zijn, tijdens een  massaal  per  trein  plaatsgevonden transport van gevangenen van het Duitse concentratiekamp Buchenwald naar het eveneens Duitse concentratiekamp Theresienstadt in het huidige Tsjechie. Bea geloofde niet in het waarheidsgehalte van het getuigenis, dat volgens haar was geensceneerd. 

Mijnheer Hartog is waarschijnlijk bij aankomst in het concentratiekamp meteen vergast; die zei immers altijd dat hij, als hij te werk werd gesteld, zou zeggen dat hij ziek was en dan niet hoefde te werken. Hartogs vrouw is weer teruggekomen, woonde in Amsterdam en is later naar Israel geemigreerd. Ze heeft na terugkomst uit het concentratiekamp mevrouw Hoogenboom nog eens opgebeld met de vraag of burgemeester Hoogenboom haar nog eens kon helpen; ze kreeg toen het treurige relaas te horen, dat Hoogenboom niet was teruggekomen en dus niets meer voor haar kon betekenen. 

Na de arrestatie van Hoogenboom kwam de NSB-er Jan de Vries als "burgemeester" op het gemeentehuis. Ze waren met z'n tweeen op het gemeentehuis, de ander werkte bij Aurora en was op de hoogte met administratie en boekhouden, vandaar dat hij als NSB-er De Vries te hulp kwam. De baas van Trijnie was dus vanaf die tijd Jan de Vries. Nu was het zo dat er vele vervalste persoonskaarten waren. Zo kregen naast vele anderen 10 of 12 ondergedoken Joden op officiele wijze distributiebonnen. Op een gegeven moment werd iemand met een vervalste persoonskaart opgepakt  en  naar  een  gevangenis  in Castricum gebracht, waaruit hij echter ontsnapte.  Men  kwam  toen  op  het gemeentehuis vragen hoe het met die kaart zat. Trijnie zei, dat ze het niet wist. Het was tenslotte niet haar eigen keus geweest,  dat  ze  bij  de  vervalsingen betrokken was geraakt. Nadat de bezoekers onverrichter zake waren vertrokken, zei Jan de Vries dreigend, dat indien meer van zulke kaarten aan het licht zouden komen, de S.D. op haar zou warden afgestuurd, en haar eens flunk aan de Land zou voelen. Pe Groot, die bij De Vries werkte als elektrornonteur en tegelijkertijd lid was van de ondergrondse, is in die dagen nag  eens  met  haar opgefietst  richting Aartswoud. Hij vertrouwde haar toe dat ze aan een onderduikadres kon warden geholpen als zij het gevoel kreeg dat de grand te heet onder haar voeten werd. 

Trijnie is toen in de laatste week van augustus  ondergedoken, in Blaricum, waar ze burgemeester Commandeur van Wognum  tegenkwam,  die  oak  in  die omgeving bleek te zijn ondergedoken en die eerder bij Hoogenboom ondergedoken was  geweest.  Trijnie  is  door  Adriaan Wegdam naar het onderduikadres weggebracht. Ze reisden per trein tot NS station Amsterdam Muiderpoort, in Amsterdam Oost gelopen naar het beginpunt van de Gooische  Stoomtram en  daarmee  naar Blaricum. 

Na de oorlog kwam Trijnie weer op het gemeentehuis werken. Daar kreeg ze toen het bericht van Jan Koomen, van wie Fia Schrijver een aangenomen zus was, dat de jonge Joodse ouders van Fia in een concentratiekamp  waren  "overleden".  Dit vonden Trijnie en haar collega's natuurlijk heel erg. Dit echtpaar was ondergedoken geweest in het cafe van Oude Niedorp, maar zijn tijdens een golf van verraad in '44 opgepakt. Dezelfde golf van verraad die Hoogenboom noodlottig werd. Trijnie is in 1950 getrouwd en ontslagen. In 1988 werd ze 65 en ging ze met pensioen. 

Bea  Hoogenboom  zou  op 18  oktober 1994 zeventig jaar zijn geworden, maar kreeg in februari '94 een hartaanval en is gecremeerd. Wellicht was Dirk Hoogenboom door de doop Nederlands Hervormd, maar hij  was niet gelovig. Hoewel haar vader dus zelf geen belijdend lid van de Nederlands Hervormde Kerk was, werd Bea wel aangenomen, zodat ze aan het Avondmaal kon deelnemen; bij dit eerste Avondmaal van Bea zat haar vader in de kerk en nam niet aan het Avondmaal deel. 

Een broer van mevrouw O.H. Hoogenboom-Diederichs leeft nog, hij is ± 90 jaar en  woont  in  de  buurt  van Duisburg. Trijnie adviseert hem niet te schrijven of anderszins te benaderen. Een broer van Dirk Hoogenboom, Simon, was burgemeester  in  Vianen.  Hiermee  had men weinig of geen contact. Pas  later kreeg Bea met haar nicht Bea, Simons dochter,  wat  contact.  Tenslotte  vraagt Trijnie  of de  groeten  kunnen  worden overgebracht aan Pe Groot en aan Keessie de Haan, die zulke heerlijke tompoezen maakte; ze waren heel lekker.

 

Website designed and build by Déanluma