Hier ziet u de Joodse jongen Sem’t Rawitscher.

Na jaren wilde hij weer in de bedstee liggen.

 

Al in 1942 waren tien Joodse jongens aan het werk op diverse boerenbedrijven. Deze jongens waren eerder ondergebracht in het Jodenkamp Nieuwesluis (bestond van 1934 tot 11 juni 1941) in de Wieringermeer. De bewoners van dat kamp waren gevlucht uit Duitsland en hadden hier, dachten ze, een veilig onderkomen gevonden. Degene die de tocht naar Nederland konden maken waren over het algemeen mensen met genoeg financiële middelen. De jonge mannen in dit kamp werden naar Duitsland getransporteerd, als zij geen werk hadden. Een zekere mijnheer Cohen heeft er voor gezorgd, dat deze jongens op diverse bedrijven aan het werk konden. Zo kwam Cohen ook bij de familie Slagter op de Gouwe en vertelde het probleem. Mevrouw Slagter is toen op de fiets gestapt en heeft zo 10 jongens kunnen onderbrengen. En dat is, gezien op een kleine gemeenschap, niet niks. De ouders van de jongen die bij de familie Slagter was ondergebracht, hadden in Duitsland een knopenfabriek gehad. Nadat hij negen maanden van haar gezin deel had uitgemaakt, kwam het bericht dat hij, en andere jongens, zich moesten melden in Amsterdam. Hij gaf meteen te kennen: “Mij krijgen ze niet, ik duik onder”. Hij is toen bij een echtpaar in Amsterdam terecht gekomen. Dit echtpaar had geen kinderen en ze werkten beiden buitenshuis, waardoor de jongens de ruimte hadden, want er had zich inmiddels nog iemand bij hem gevoegd. Die mevrouw ontving in die tijd niet veel visite; ze gebruikte als excuus, dat ze veel moest werken. Als er een enkele maal visite kwam, moesten de jongens in een diepe kast. Op den duur werd het een probleem twee van die jonge jongens voldoende eten te geven. Regelmatig werd er vanaf de Gouwe eten meegegeven met schipper Mol. Deze voer in die tijd met zijn schip op Amsterdam. Het echtpaar, bij wie de jongens waren ondergedoken, haalden het dan op. Maar ze gingen nooit samen; het was steeds of de man of de vrouw. De controle op schepen werd echter al strenger, waardoor op het laatst eten meegeven niet meer mogelijk was. Toen de oorlog was afgelopen, was er nog geen vervoer, maar toch kwamen deze mensen al op 7 mei 1945 naar de Gouwe. Mevrouw Slagter heeft daar een mooie foto van. Deze onderduiker is na de oorlog naar Amerika gegaan. Hij is samen met zijn vrouw en dochter nog wel eens terug geweest. Hij heeft bij die gelegenheid een foto laten nemen, terwijl hij weer in de bedstee lag, want in Amerika wilden ze niet geloven dat men in Holland in een kast sliep. Ook is er nog een brief geschreven door de moeder van deze jongen, waarin zij de familie Slagter heel hartelijk bedankt, voor alles wat ze voor hun zoon hebben gedaan. Op de vraag waarom deze jongen niet bij hen op de Gouwe kon onderduiken, zei ze: “We hadden zelf kleine kinderen en het leven en omgaan met elkaar was zo: iedereen liep meestal ongevraagd binnen. De slager, de bakker, de kruidenier – als je bezig was met bijvoorbeeld de baby, zei de bakker: ‘Ik kijk zelf wel effe in de trommel wat er wezen moet.’ Zo kan je toch niet iemand schuil houden, maar mijn zorg heb ik hem altijd gegeven”.

De fam. Slagter op de Gouwe zien hier hun voormalige Joodse jongen

Sem’t Rawitscher weer. Piet Slagter, hun zoon en Mevr. Slagter.

 

Website designed and build by Déanluma