Brief van Joh. Mooij aan zijn Heerbroer in Brazilie, over de oorlog, Opmeer 30-11-1945

Beste Heeroom.

Eindelijk  eens  een  brief  van  ons  uit Opmeer. In de jaren dat U weer in Brazilië is, is er heel wat gebeurd en veranderd, ook vooral in ons gezin en daarom zal ik ons eerst maar eens aan U voorstellen. Jan, Martha, Gre, Joop en Suitbert waren er al voor dat U vertrok, daama zijn er nog bijgekomen Kees (Cornelis Jacobus Joh.) geb. 21 Oct. 38, Gonny (Hillegonda Anna M.)  geb. 30 Nov. 39, Tini (Catharina Geertruida) geb. 2 Dec. 40, Piet (Petrus Jacobus Adr.) geb. 5 Juli 42 en Maria Alida of te wel Marietje geb. 25 Nov. 43; jammer genoeg is Marietje op 10 Oct. van dit jaar overleden aan de besmettelijke ziekte difterie. Ze is ongeveer 1 1/2 week ziek geweest. We missen haar erg want het was een lief meisje, dus zoodoende hebben we nog 9 kinderen 5 jongens en 4 meisjes, en gelukkig allen goed gezond.

We hebben veel beroerde jaren meegemaakt vooral tijdens de oorlog vooral wat het  eten  betrof was  het  soms  treurig gesteld, we hadden hier ook een Centrale Keuken waar we het eten konden halen: de eerste tijd was het eten best, later werd het veel minder en zelfs zoo slecht dat we er niet veel van aten; als we toen stamppot hadden, was het meestal suikerbieten met kool  en  een  enkele  aardappel  er  in. Gelukkig wist ik vaak wat tarwe en bonen te kopen of er werd ons wat thuis bezorgd door de mannen van de KP, voor U misschien wel  wat vreemde namen,  maar voor ons heel gewoon, dit waren de mannen van de knokploeg, en daar ik als ambtenaar van den distributiedienst  veelal voor bonkaarten, rookkaarten, inIegvellen enz. zorgde - natuurlijk via een achterdeurtje - zorgden ze ook veel voor ons.

Nu ik het toch over de distributiedienst heb, waar ik nog voor werk en waar ik zooveel herinneringen aan heb waarover U reeds iets geschreven is; zal ik eerst even een overzicht geven van m'n werkkring in de jaren tijdens de Oorlog. Met de zaak werd het steeds minder en in Dec. 1940 kwam ik in dienst van de Gem. Spanbroek  bij  luchtbeschermingsdienst. Deze dienst bestond uit 4 man personeel, de werktijden waren van 's avonds 8 uur tot 's morgens 7 uur, om de 3 dagen was ik een avond vrij, onze standplaats was in de O. L. School om beurten 1 man binnen en 2 op straat, later mochten we na 12 tot 4 uur niet meer op de straat, we moesten letten  op  de  neervallende  vliegtuigen of bommen.

Er zijn verscheidene vliegtuigen in deze omgeving neergevallen, op 11 Mei 1941 viel dicht bij ons huis een brandend vliegtuig neer; achter de school (red.: bedoeld wordt de voormalig R.K. lagere school aan de Herenweg) lag een vleugel, achter ons huis op het land van Wijnker een brandende motor en het vliegtuig zelf op het land van K. Huiberts (tegenover C. Scholten), ik had die'n nacht dienst en stond bij Mr. Bank, toen we hoorden dat er een vliegtuig aangeschoten werd ongeveer  boven  Medemblik,  het  vliegtuig stond spoedig in brand heel hoog in de lucht, even daarna werden bommen uitgeworpen en het vliegtuig kwam al meer en meer op ons af, en zoals ik al schreef eerst een vleugel brandend naar beneden, hierdoor zwenkte het vliegtuig naar links om en het stortte met een geweldig lawaai neer en een geweldige vuurzee was het einde van dit grote Engelsche vliegtuig. De volgende dag werd er op het land dicht bij ons een dode Piloot gevonden, en op het land van Huiberts vonden we verschillende lichaamsdelen in kleine stukjes. De Piloot is naar Alkmaar vervoerd en begraven en de delen op het land van Huiberts. Wij, de menschen van de luchtbeschermingsdienst hebben er een heel werk aan gehad, eerst hebben de moffen het vliegtuig eruit gehaald en wij moesten het gat dichten; een graf maken en er is een kruis opgeplaatst.

Het was natuurlijk niet gezellig zoo te moeten werken, de meeste nachten niet thuis, het loon was ook te laag dus je moest er op de dag wel iets bij zoeken, ik ging er veel op uit, posten afsluiten voor de N.V. Spaarkas voor beleggingen in R.K. Kerkelijke leeningen te Utrecht, dit liep nogal goed en zoodoende konden we ons wat het geld betrof behoorlijk redden, bijna 3 jaar heb ik zoo gewerkt toen ik in Oct. 43  bij  den  distributiedienst  kon komen eerst als uitreiker van bonkaarten enz. en ik was nog geen half jaar in dienst, toen ik Chef van deze afdeling werd, in die tijd was er veel veranderd, we kregen veel onderduikers te verzorgen.

Burgemeester Keijzer was ondergedoken en we kregen een N.S.B.-Burgemeester, het werd al meer oppassen en uitkijken en gelukkig hadden we nog geen N.S.B.-personeel dus in een ruim tijdje en na de uitreiking werden de bonkaarten ingepalmd die we voor de onderduikers nodig hadden, D. Appel van Opmeer ook als ambtenaar en H. Kooter als Kassier van waardemateriaal waren me steeds behulpzaam. Het liep alles goed, tot op een zekere dag de Politie S. Koning werd opgepikt door de S.D. Ik had vacantie en de uitreikers waren onder geleide van 2 Politiemannen waarbij ook S. Koning, te Hoogwoud aan het uitreiken; de uitreikers moesten altijd onder geleide zijn van 2 Politie's. Er werd gebeld van uit Spanbroek, dat er bezoek was van de S.D. om S. Koning te spreken, deze Koning was ook een van de illegale werkers en wist ook waar het om te doen was; Koning had namelijk een rapport ondertekend voor het verkrijgen van een valsch persoonsbewijs, Nico Mooij waar hij veel mee samen werkte was al ondergedoken. D. Appel heeft hem sterk afgeraden naar Spanbroek te gaan en onder te duiken, doch Koning ging wel en dacht er onderuit te kunnen, dit gelukte echter niet en hij werd meegenomen naar Scheveningen en tot op heden is er nog niets van hem bekend waar hij gebleven is of wat er met hem gebeurd is, z'n vrouw is nu alleen met 4 kinderen.

Dit gebeurde op donderdag 24 aug. '44. U begrijpt dat wij ons al niet op ons gemak voelden en toch nog met de gedachte dat we ook het kind van de rekening zouden worden en  het op Zaterdag 26  Aug. gebeurde dat ik bezoek kreeg van een van de heren van de S.D. en een Marechaussee uit Spanbroek welke mij met de auto kwamen halen voor een bespreking op het Distributiekantoor. Het was zo ongeveer half 12 's morgens. Ik was nog met vacantie en de andere heren van het D.K. zaten al  gevangen  in het Gemeentehuis.  Ik moest  direct  voor  het  verhoor,  werd gefouilleerd en gelukkig had ik geen bijzondere dingen bij me. Verschillende vragen werden me gesteld over bonkaarten, rokerskaarten enz. Eerst over rokerskaarten, hoewel ik er zelf had. Ik zei van een ik had er wel meer, maar dat zei ik natuur-
lijk niet, maar een andere ambtenaar was me al voor geweest en had gezegd dat we er in overleg met den !eider van het D.K. een extra gekregen hadden dus moest ik er ook meer dan een hebben. Ook werd me gevraagd hoeveel Koning er van me had gekregen. Koning had er ook een van me gekregen en nadat er andere ambtenaren werden bijgehaald welke beweerden dat het mannelijk personeel een extra kaart gekregen had, en ik niet meer dan een rookkaart in m'n bezit had, dat ik de extra kaart dan weer aan Koning zou hebben
gegeven. Inmiddels was ik de eenige die niet zoo erg zachtzinnig behandeld werd en steeds met m'n neus tegen de muur moest staan en m'n handen omhoog en zoo of en toe in de nek. Ik voelde al lang, dat het mis was en er meerdere waren die hun mond niet konden houden. Later kwamen ze met een partijtje bonkaarten aan, welke ze bij Koning in huis hadden gevonden en ik zou hebben gegeven voor onderduikers; toen er niets uit me was te
krijgen, werd besloten het mannelijke en vrouwelijke personeel mee te nemen naar Den Haag als niet gezegd werd, waar de bonkaarten vandaan kwamen. Allen zwegen toen tenslotte H. Kooter verklaarde, dat de kaarten van hem afkomstig waren; de dames mochten naar huis, moesten over het gebeurde zwijgen en de heren moesten blijven.

Ik wist via een van de dames bericht te zenden naar huis dat alle mogelijke kaarten moesten worden opgeborgen. Het was intussen al ongeveer 3 uur toen wij met z’n achten werden weggevoerd op een vrachtauto onder geleide van tal van Marechaussee’s en veel toeschouwers. Onderwijl was er een van de Recherche bij me thuis geweest om de zaak te onderzoeken en Kees was net op tijd achter het huis met z’n zakken vol met spullen welke ze niet mochten zien; dit hoorde ik natuurlijk alles later. Ik had ook nog 2 radiotoestellen van anderen in huis; ze stonden wel goed verborgen maar je weet hoe bezorgd Kees is en ze hebben ze dan ook bij een ander gebracht. M’n eigen toestel stond bij buurman Mr. Tulp de Commandant van de K.P. Thuis hebben ze niets gevonden en de rookkaart en bonkaarten klopte met m’n opgaaf.

Wij reden naar Scheveningen het beruchte Oranje Hotel waar in 1942 op de muren stond geschreven – niet lang: “in deze baijes zit geen gaijes maar Hollandsch glorie potverdorie”. Toen we daar binnen kwamen, werden we al spoedig gedrild door de moffen, de neus tegen de muur, +/- 2 meter afstand van elkaar en om beurten voor het verhoor. Na dit verhoor werden we weggebracht in snel tempo naar de cellen. Ik zat alleen in een cel en van de anderen wist ik niets; later bleek dat ze ook alleen gezeten hadden. Eten kregen we nog niet; ’s middags hadden we wat brood gehad en een stuk worst van de slager – eerlijk gezegd had ik de eerste dagen niet veel honger, dit kwam later wel. De cel was ongeveer 4 x 2 m. groot, met een kreb en twee molton dekens. Aan de kant een opklaptafel en een krukje om op te zitten; aan de wand hing het reglement, wat je moest en wat je niet mocht doen, het meeste mocht je niet doen. Voor half acht mocht je niet op je bed zitten of liggen, de muur mocht je niet beschrijven, maar het stond wel vol met namen en opschriften. Je staat raar te kijken als ze je zoo opsluiten, tal van gedachten komen in je op en van slapen weinig of niets. Van de tijd weet je niks af en ik ging maar naar bed als ik dacht dat het laat genoeg was; later ging ik nooit vroeg naar bed, want ze hadden meestal de gewoonte me uit bed te halen 's avonds. De eerste tijd denk je vaak:  "Had ik dit of had ik dat maar gedaan", maar je begrijpt al spoedig dat dit Loch niets helpt, en je zit je maar weer voor  te  bereiden  voor  een  eventueel komend verhoor.

De eerste morgen werd er tegen de deur getrapt; later heb ik gehoord dat er dan een grendel werd losgetrapt. Even later hoorde ik een schreeuw: "waterkan", je moest dan klaar staan met de kan, de deur werd geopend en je moest de kan buiten de deur zetten op de gang, aan beide kanten van de gang waren cellen, even later werd de deur weer geopend en kon je de kan gevuld met water naar binnen halen, je kon je dan wasschen, je bed opmaken en de cel schoonmaken; even later werd het luikje in de deur losgemaakt en weer later werd je celnummer afgeroepen, mijn nummer was 571 een nummer dat ik nooit meer zal vergeten, denk ik. Vervolgens moest je het luikje openen en klaar staan met een hoes en dan werd er koffie ingeschonken, je moest daarbij de hoes goed vasthouden, anders kreeg je niets en je had de kans dat je de hoes voor je hoofd terug kreeg. Ik heb het zeker altijd goed gedaan, tenminste geen last gehad, maar er zijn er wel geweest die dit meegemaakt hebben. Je had dan koffie, doch meer kreeg je 's morgens niet later bleek dat je 's middags warm eten kreeg b.v. soep of aardappelen met groente en 's avonds een stuk brood waar je 4 flinke plakken van kon snijden, je bewaarde dan 's avonds wat voor 's morgens. Ik schrijf wel: "snijden", maar dit moest gebeuren met een houten mesje en ik had ook een houten lepel. Je moest alles goed schoonmaken; (dit werd gecontroleerd en een enkele maal kregen we wel eens boeken te lezen, maar als het zaakje niet schoon was kreeg je niets. Wat die boeken betreft, dit moest je erg treffen; soms was het nog wel wat.

Als het dan 's morgens ongeveer 9 uur was, moest je aantreden: eerst de eene kant van de gang, later de andere. De deur werd losgemaakt en er werd dan geroepen of liever gezegd, geschreeuwd: "Uittreden", soms dan door een Hollander, soms door een Duitscher. Je moest dan je ton meenemen, want die moest warden geleegd; je kwam dan de cel uit, alles op commando af, ton neerzetten, neus tegen de muur, ton opnemen, linksom 2 meter afstand bewaren en naar buiten treden de tonnen buiten neer zetten, deze werden dan geleegd en wij moesten dan  wat  hardlopen en eenige oefeningen maken. Als dat hoogstens 10  minuten had geduurd, moest je weer naar binnen. Wij waren meestal met zin zevenen van onze ploeg, 2 van ons waren bij de andere ploeg. Bij deze ontmoeting zagen we elkaar dan, anders zag je in je cel de gehele dag natuurlijk niets; je mocht niets zeggen, maar je kon soms toch niets fluisteren. Politie Koning zagen we dan ook, in tijd van enkele dagen veranderd in een gebroken  man. Trouwens er waren er meerdere van ons, die het slecht konden verduren, er was er een die in de 14 dagen welke we daar hebben doorgebracht 14 pond lichter was geworden.

De verdere dagindeling was gauw bekeken, je zocht maar wat afleiding: je wandelde je cel honderden malen op en neer, telde de tegels, sommigen zelfs de stenen van de muren, je zakken leeggehaald, je hebt niets te doen en om de dagen bij te houden had ik een stuk spijker uit de muur gehaald en achter het op het reglement schreef ik dan elke dag bij. De hoofdzaak was natuurlijk het bidden. Ze zeggen wel eens: "Nood leert bidden", maar dit is ook geen kunst, als je zoo zit opgesloten; als je een maand moet zitten, gewent zooiets nog wat, maar juist het onzekere, dat je niet weet wat er met je gaat gebeuren. Van de andere kant is het natuurlijk een troost te weten dat je er zit voor de goede zaak. Ja, ik heb er heel veel gebeden en ik wist dat ze het thuis ook zouden doen, 's avonds ongeveer 7 of 8 uur bad ik de Rozenkrans  zonder Rozenkrans want die mocht ik niet bij me houden - en ik wist dan dat ze dit thuis ook deden die tijd, volgens gewoonte. Je knapte dan weer wat op na al de ellende welke je soms in je hoofd opkwam. Ik was toch ook zoomaar weggehaald, ik zei nog wel: "Dag hoor, tot straks", maar (dit was heel anders uitgekomen. Je hoorde niets van thuis, je mocht zelf niet schrijven enz. Je had echter ook wel weer eens voldoening, vooral als je na een verhoor toch stand had gehouden en ze niets uit je wisten te krijgen, ondanks bedreigingen en kruisverhoren.

Op een zekere avond of om het juist te zeggen de 2e Maandagavond ongeveer 9 uur werd de deur geopend, 2 Hollanders en 1 Duitscher kwamen me halen, ik behoefde al m'n kleren niet aan te trekken, ik zou toch zoo weer terug komen, werd me verteld, dus min overhemd bleef achter, zoo min (jas) er over aan, ik moest voor de zooveelste maal voor het verhoor, dit heeft ongeveer 1 uur geduurd denk ik, en toen ze niets uit me konden krijgen, zouden  m'n  medegevangenen  het  wel getuigen. Eerst min baas, er werd me gevraagd: "Ken je die?" "Ja", zei ik. Mijn baas hadden ze al aardig ver heen en door verraad waren ze al veel te weten gekomen, waar dit verraad vandaan is gekomen, weten we nog nooit, m'n baas zei toen: "Och Jo, je kunt het gerust zeggen. Ze weten immers toch alles al". Ik hield echter vol nergens aan gedaan te hebben. Ik kon me nog even bedenken en indien er geen resultaat werd bereikt zouden ze me wel eens op een andere plaats brengen, waar de meesten terugkwamen als waarheidslievende   menschen,   dat   plaatsje werd ik zo ongeveer ingetrapt en bestond in een donkere cel, m'n bril mocht af en m'n bretels ook, je loopt eerst raar te zoeken in zoo'n donker hol een ton in de ene hoek in de andere een emmer water, een houten beun met houten kussen waar je op kon slapen of tenminste liggen, want van slapen komt in zoo'n cel helemaal niet veel en het was geweldig koud, op de eerste plaats was het warm weer dat we werden opgehaald, dus de zomerse kleren aan. later werd het veel kouder en bovendien was ik niet helemaal gekleed, dus daar heb ik veel koude geleden en de deur bleef gesloten  tot  Woensdagavond,  ze kwamen me teen vragen hoe ik er over dacht, ik zei teen dat ze zoo door konden gaan tot m'n dood toe. Ik moest er uit komen, ik kreeg wat warm eten en ik kon weer terug naar m'n vorige cel, waar het toch weer beter was, inmiddels was ik verkouden geworden en kon bijna niet meer overluid spreken, ik had net een gevoel of ik ernstig ziek zou worden, dit is echter goed afgekomen. In die donkere cel had ik m'n testament al opgemaakt in de veronderstelling dat het toch wel niets meer zou werden, later bleek dat de Dolle Dinsdag, welke ik in de donkere cel doorbracht, ons de redding bracht. Ze hadden het ook vaak over Nico van Piet, daar zou ik natuurlijk wel meer van weten en als ik zei waar ie zat, was ik zoo vrij. Je kon aan alles merken dat er iets was veranderd;  de  heren  werden  een  beetje gemoedelijker,  vooral  ook  de  moffen, sommigen zeiden dan wel eens dat ze gauw terug wilden naar de Heimat. zelf had ik toen ook de gedachte dat, we vrij zouden  komen. Het was Donderdag 7 Sept. toen ik de kapper bij me kreeg om me te scheren: het werd ook wel tijd, want we leken wet een stelletje Mongolen, een baard van 10 dagen.

Het was Vrijdagavond ongeveer 7 uur toen een van de Recherche min cel binnenkwam met de mededeling dat hij me niet kwam halen, doch dat ik naar huis mocht, hij vertelde me dat zijn kop er toch af ging, maar dat ie toch had getracht en het hem ook was gelukt ons vrij te krijgen en zoo mochten we met zin achten naar huis, jammer genoeg konden we Politie Koning niet meekrijgen, we kregen eerst nog een hele redevoering te horen van de Commissaris van de S.D. in het Duitsch. We logeerden in Den Haag bij eens eveneens bevrijde gevangene en 's morgens vroeg  vertrokken  we  per  trein  naar Alkmaar, daar 2 uur wachten en teen door naar  Obdam  waar  een  hele  menigte gereed stond om ons te verwelkomen. De eerste die ik ontmoette was Jaap, en Jan stond er met m'n fiets. De wagen stond echter  voor.  Bloemen  hadden  we  in Alkmaar gekregen, waar we ook heerlijk brood hebben gegeten bij familie van D. Appel en zelfs in de trein hadden we al brood gekregen van de reizigers. En zoo reden we dan naar Opmeer, de menschen buiten, eerst even bij Kees en toen kwamen Mart-Gre-Joop-Suitbert-Kees-Gon en Tini me al tegemoet en zoo kwam ik terug uit Scheveningen bij me thuis waar Anna, Piet en Marietje en Gon van Kees me opwachtten. Een huis met bloemen en kaas en boter gebracht door de buren en anderen die het wisten te waarderen waarvoor ik was weggeweest.

Dit zijn dagen geweest om nooit te vergeten en ik heb het juist nu we Marietje moesten missen zoveel gezegd: "Het had toch ook veel slechter af kunnen lopen, als ik niet meer teruggekomen had, was Anna blijven zitten met 10 kinderen en dit was ook m'n grootste zorg in de donkere cel". Het is wel een hele brief vol geworden en al spreek ik altijd niet zo graag over Scheveningen, wou ik toch m`n belevenis schrijven. Dat Vader en Moeder zijn overleden, is U wel bekend. Vader heeft er heel wat om moeten sukkelen en wou toch nog graag wat blijven. Moeder gaf haarzelf gemakkelijker  over.  Wij  worden intusschen ook al ouder, de jongens hebben ook een briefje geschreven, ik stuur ze apart op. Het is een flink koppeltje zo 9 stuks. Ze zijn gelukkig alien goed gezond en we hopen van U hetzelfde. Het is inmiddels alweer 12 uur geworden dus ik zal maar eindigen, ik heb trouwens mijn brief  toch  al  eens  onderbroken.  Nu Heerbroer ontvang verder de hartelijke groeten van ons allen Joh., Anna, Jan, Martha, Gre, Joop, Suitbert, Kees, Gon, Tini, Piet. ik zal er een foto bij doen. Ik meende eerst de brief wat duidelijker over te schrijven, maar het moet toch zoo maar, tot ziens en graag spoedig een brief terug. Daag.

 

Website designed and build by Déanluma