Het oude doopvont

Door Muus Jacobse



Z
o dikwijls als ik dwalend
In zon en wind het vergezicht
Van u, Westfriesland, stralend
Zag liggen in het zomerlicht,

Dacht ik: Radbod de heiden, 
Die eenmaal heerste in dit land,
Doold' ook zo langs de weiden,
En dromend aan de waterkant

Heeft hij zijn hart verloren
Zo diep aan dit aards koninkrijk,
Dat hij niet wou herboren 
Zijn tot het hemels rijk...

Hij heeft het wel geweten
- Het doopvont stond ook hem bereid- ,
De kleine stap gemeten
Die leidt van tijd naar eeuwigheid,

Maar hij kon niet verlieze 
Dit aards bezit voor eeuwige winst,
Hij heeft niet kunnen kiezen 
Het meeste boven 't minst...

Land van Radbod de heiden, 
Groen erfdeel van mijn voorgeslacht,
Gij kunt als hij niet scheiden
Van al uw licht en aardse pracht:

Zo dikwijls als ik dwalend 
In zon en wind het vergezicht
Van u, Westfriesland, stralend
Zag liggen in het zomerlicht,

Dacht ik: Radbod de heiden, 
Die eenmaal heerste in dit land,
Doold' ook zo langs de weiden,
En dromend aan de waterkant

Al strekt nog het verlangen
Van uwe torens hemelwaarts,
Ik weet: uw daagse gangen
Werden uit d’aarde aards.

Verscholen in uw dorpen
Tussen het dichte bomengroen
Der graven, als verworpen
Bouwsels van oud fatsoen,

Zo staan in ’t rond uw kerken,
- Leeg graf, maar door niet een verstaan -,
Gedoemd als al uw werken
Aards uit de aarde te vergaan…

Maar gij zult het weer weten:
Het doopvont staat ook u bereid!
Hoe lang het lag vergeten,
Het wijst nog naar de eeuwigheid!

Volk, dat ik blijf behoren,
Grond die mijn voedster zijt geweest,
Word nu opnieuw geboren
Uit water en uit geest!

Wie ingaat tot dit water,
Gaat in tot Die het water schiep:
De liefde van de Vader
Is als het water diep.

Wie ingaat tot dit water,
Gaat met Die inging tot het vlees,
De Zoon van de genade
Die uit de dood herrees.

Wie ingaat tot dit water,
Ontvangt Die op het water zweeft
Die is uit Zoon en Vader,
De Geest die eeuwig leeft.

En opstaand uit het water
Vergeet hij ’t land dat hij verliet,
Omdat hij land en water
Met nieuwgeboren ogen ziet:

Het wordt hem goedertieren
En als een paradijs zo wijd,
Want er zijn vier rivieren
Ontsprongen aan de eeuwigheid,

De vier Evangelisten
Die uitgaan oost, west, zuid en noord
Te dopen tot een Christen
Met het doopwater van hun woord.

Kom tot dit zacht geklater:
Het doopvont staat weer opgericht!
Zie, met Zijn levend water
Heeft God iets groots verricht!


Gedicht van Muus Jacobse bij het herstel van het oude doopvont in de Hervormde Kerk te Hoogwoud. 
Versieringen van Karel Hoekendijk.

 

Website designed and build by Déanluma