Over drie herbergen aan de Boekel

Door Bernd Ooijevaar

Wie anno 2001 een biertje drinkt in het Witte Huis zal er niet direct bij stilstaan dat op deze plaats al honderden jaren van het leven wordt genoten. Het Witte Huis is het oudste, nog bestaande café in de Burgemeester Hoogenboomlaan. In de 17e eeuw stonden er nog twee andere belangrijke herbergen aan de Boekel (een oude naam voor de Burgemeester Hoogenboomlaan), namelijk het Huis van Egmond en de Witte Valk. Helaas hebben deze twee herbergen de tand des tijds niet doorstaan. Het huidige Huis van Egmond staat namelijk op een andere plaats dan het oude Huis van Egmond welke in de 2e helft van de 18e eeuw haar functie als herberg verloor. De Witte Valk stond op de plek waar nu wooncentrum Kaijer gevestigd is en werd in 1965 afgebroken.

Feest in een boeren herberg in de 17e eeuw.
Onderschrift:
Wie sal niet vande feest en boerekermis walgen
Men doeter anders niet als vreeten, swelgen, balgen
Men vedelt (viool spelen), springt en danst,
man sackpijpt (doedelzak spelen) en men fluyt
En eer de kennis (bewust zijn) scheid,
soo raekt het mesken wijt (mes trekken).

Een pintje aan de Boekel

De geschiedenis van het bier in het algemeen gaat ongetwijfeld veel verder dan de gegevens die we hierover vinden in de archieven met betrekking tot Hoogwoud. De geleidelijke vestiging van het Hollandse grafelijke bestuur in West-Friesland na 1289 betekende onder andere dat de Westfriezen diverse belastingen moesten gaan betalen. Voor wat betreft de bierleverantie lezen we daarover in de periode 1317-1336 het volgende: 'Item segghen wi, dat alle die ghene, die in Vriesland wonen ende tappen willen, of ghetapt hebben, betalen den Rentmeister myns Heren. Dat de graven van Holland daadwerkelijk geld inden uit biertollen blijkt uit een rekening van 1343. In dat jaar bracht de ontvanger Pieter van Wermer vijf pond in uit de 'biertollen en vlastienden in Hogoutwouder cogghe'.

In de 15e eeuw vinden we meer verordeningen van de overheid maar ditmaal toegespitst op de heerlijkheid (gemeente) Hoogwoud. In 1453 werd vastgelegd dat 'niemant in de kercklaen herberghe moge houden noch tappen, van Lijsbeth Jansd. af, (...), totten rooster toe, op een boete van vijff pont...' Het was dus verboden om een herberg te houden, of te tappen in huizen die stonden op de plaats van de huidige adressen Burgemeester Hoogenboomlaan 22, 24, 26 en tot op zekere hoogte verder (mogelijk tot nummer 34, er zijn namelijk aanwijzingen dat daar ter plaatse in die tijd het recht werd gesproken). Verder word in 1456 bepaald dat 'de kannen daer men by drincken sal in de tappershuysen' van tin moesten zijn gemaakt. Deze tinnen kannen moesten voldoen aan een bepaalde inhoudsmaat, namelijk een 'mengelens oft pints volle mate' Een pint is ongeveer 0,6 liter en gelijk aan een halve mengele.

Dat er in de late middeleeuwen al herbergen en tappersplaatsen waren in de heerlijkheid Hoogwoud is duidelijk. Helaas worden er geen namen van herbergen genoemd en moeten we tot de 17e eeuw wachten op informatie die direct aansluit bij een van de in de inleiding genoemde herbergen.

Een wreed volkje?

Alvorens dieper in te gaan op de drie voornaamste herbergen aan de Boekel wil ik graag wat bijzonderheden kwijt uit een overgeleverde keur van 31 maart 1617. Deze keur bevat maatregelen ter voorkoming van volksfeesten, drinkgelagen en dronkenschap. Er werd onder andere bepaald dat 'een Waardt noch Waardinne, noch oock niemant uytgesondert, eenige swanen, gansen ofte andere gedierten' beschikbaar mocht stellen. Ganstrekken was in die dagen een bekend 'spelletje', op deze 17e eeuwse prent is te zien hoe het ganstrekken in z'n werk ging. Dat een waard ook verantwoordelijk werd gesteld voor vechtpartijen (neerslag) blijkt uit de volgende passage: 'Item in wat herbergh een neerslach geschiet, sal die Waart ofte Waardinne in een maant daar aan volgende geen wijn noch bier moeten vercoopen’.

Ganstrekken. De vrij brede sloot die achter het oude Huis van 
Egmond en het Witte Huis langsliep kan zich prima hebben 
geleend voor het ganstrekken.

Bovendien mocht een waard geen vlaggen of wimpels uithangen om 'doordien de Jongeluijden te versamelen' Het was blijkbaar niet ongebruikelijk om 'buurvrijers' (vrijgezellen) op bepaalde dagen de kroeg in te lokken. De boete die de waard hiervoor bij overtreding moest betalen was zes gulden. Blijkbaar hield niet iedere waard zich aan deze regel want Jan Taems (vermoedelijk in het Witte Huis) betaalde in 1621 drie gulden 'alsoo hij opten XII september gewimpeld heeft contraie de keur’. Ook het schieten op papegaaien, doodknuppelen van beesten (bijv. katknuppelen) en het rijden op te kleine dieren werd in 1617 verboden. De overheid maakte overigens geen onderscheid in dieren 'van Godt geschapen ofte van menschen gemaeckt’. Op een houten papegaai mocht dus ook niet worden geschoten. Bijzonder is te lezen het dat de Hoogwouders ook aan speersteken deden, iets wat je misschien alleen op riddertoernooien zou verwachten. Een waard die ‘tselve steecspel toestelt’ verbeurde maar liefst tien pond en de ruiters die aan het spel deelnamen betaalde drie pond als inleg aan dit spel. Dat een waard ook wel eens zijn boekje te buiten ging blijkt uit een akte van 8 april 1664. Mieuws Willemsz, waard en herbergier aan de Boekel, was naar zijn zeggen zeer verontwaardigd over het feit dat hij uit de voogdij was gezet. Boos was hij naar het huis van Cornelis Jansz Cramer (mede woonachtig aan de Boekel) gegaan en 'met harde dreijgende' woorden gezegd dat hij van plan was om 'een vanden vijff stucken te doen' Hij dreigde met moord, brandstichting, bedelen, naaktlopen en/of diefstal. De ware reden dat waard Mieuws naar het huis van Cornelis Cramer was gekomen was om brandewijn te bemachtigen. Kramers waren winkeliers en sommige hadden permissie om o.a. brandewijn (waarschijnlijk een soort jenever) te verkopen. Toen de vermoedelijk al dronken Mieuws geen brandewijn van Cornelis Cramer kreeg werd hij nog kwader; ' wilt gij mij geen brandewijn geven, het sal u berouwen’ Tegen Pieter Paulus Linnenwercker had Mieuws Willemsz nog gezegd  ‘ick segget u dat ick sal brandtsteecken ofte moorden want het scheelt mij niet of ick int bier ofte int water sterf’ Deze laatste uitspraak is te begrijpen indien Mieuws Willemsz dezelfde is als schipper Mieuws Willemsz Vlaer uit Aartswoud in 1647 (mogelijk famiIie van Cornelis Eddicksz Vlaer die eigenaar was van de Witte Valk in de periode 1644-1666). Een verdrinkingsdood was voor een grootschipper in die tijd een reëel gevaar. Ganstrekken doen we gelukkig niet meer maar nog steeds lopen de gemoederen wel eens hoog op bij een te hoge dosis alcohol!

'schieten na de papeguy'. In Aartswoud werd dit 
spel nog omstreeks 1880 op de kermis gespeeld,
echter met een houten papagaai.

Het huis van Egmond

± 1915.

1995. Vergelijk de daken van de panden, het rechterdeel van
de inmiddels gesloopte Nutsspaarbank is de stalling of ber-
ging die vóór 1763 werd gebouwd door de gebroeders Stuijt
op het erf van het Huis van Egmond.

Zoals reeds gezegd staat het huidige Huis van Egmond op een andere plaats dan het voormalige Huis van Egmond. Het oude Huis van Egmond stond op de plaats waar nu Burgemeester Hoogenboomlaan 49 (fam. J.C. Groot) staat. De verbouwde schouw in de woonkamer van dit huis staat waarschijnlijk nog steeds op de oorspronkelijke plaats. Daarbij moet wel opgemerkt worden dat het Huis van Egmond in 1637 drie haardsteden had (er stonden drie schoorstenen op het huis). Tot ongeveer 1750 was het buurperceel waarop nu kapsalon De Boekel staat nog onbebouwd en hoorde bij het Huis van Egmond. Ook de aanzienlijke tuin die ligt ingesloten tussen de erven aan de Burgemeester Hoogenboomlaan, de Burgemeester Breebaartstraat, de Herenweg en het zgn. Slagers- of Rooie Paadje hoorde tot ongeveer 1700 bij het Huis van Egmond.

We kunnen er wel voorzichtig van uit gaan dat het Huis van Egmond al in de 16e eeuw bestond gezien het feit dat in die eeuw de familie Van Egmond de scepter over de heerlijkheid Hoogwoud zwaaide. In welke mate er verwantschap was tussen de herberg en de hoge heren is niet duidelijk. Wel bekend is dat de leenmannen van de heren van Hoogwoud gerechtigd waren om over het erf van het Huis van Egmond te lopen om zo de leenlanden van Hoogwoud te kunnen bereiken. De eerste maal dat we het Huis van Egmond in de notariële en oud-rechterlijke archieven van Hoogwoud tegenkomen is d.d. 17-06-1608. Eind mei 1608 werd Adriaen Pietersz Stins (van de gelijknamige boerderij te Lambertschaag) door de baljuw van Hoogwoud dusdanig mishandeld dat Adriaen Stins 'over de houck van een seecker banckge, twelck aldaer stondt, ten neder viel’ Drie weken later was Adriaen overleden. Dit alles gebeurde dus 'ten huysse van Jan Jacobsz Schut, berbergier in Egmondt aen de Bouckel tot Hoochtwoude' Jan Jacobsz Schut (ook wel Schuttes) was gehuwd met Neel Jans. In 1621 werd hij nog aangeslagen voor een vermogen van 2000 gulden maar in dat zelfde jaar was hij overleden.

Neel Jans nam de zaak over en was in 1623 reeds hertrouwd met Symon Allertsz Swaen uit Schagen. In de N-H kerk te Hoogwoud ligt tot op heden een grafzerk met het gotische opschrift 'Hier leijt begraven Neel Jans dr. Sterf den 15en december Ao 1635 des saterdachs savonts omtrent te 9 uren' Neel en Jan waren in die tijd veelgebruikte namen dus het valt te betwijfelen of het hier om dezelfde Neel Jans dr. gaat. Zeer merkwaardig is echter dat de grafzerk van Neel Jans dr. later is (her)gebruikt door Sijmen Jansz Klay (overleden 14 april 1715). Sijmen Klay (familie van Neel Jans dr.?) verkocht in 1700 namelijk het Witte Huis, de herberg die in Neel Jans dr haar tijd het Zwaantje werd genoemd (zie verder bij het Witte huis).

Tussen het Witte Huis en het Huis van Egmond stonden oor-
spronkelijk twee huizen, zoals ook te zien is op het primitieve
schetsje van pastoor Marius uit 1633. De foto is uit 1995.

In het haardstedenkohier van 1637 vinden we Mieuws Schout Pieters als eigenaar van het Huis van Egmond vermeld. We moeten er wel rekening mee houden dat de haardstedenkohieren niet of nauwelijks werden bijgewerkt en dat de lijst van 1637 eerder de situatie van 1627 (of nog vroeger) weergeeft. In 1633 was Mieuws Schout Pieters (ook wel Mieuws Pieter Valckes) reeds overleden en was de herberg al in eigendom van Jacob Pietersz Kootenburg. Dit blijkt uit een verkoopakte van 1 juni 1633, de moeder en de oom van wijlen Mieuws Pieter Valckes verkochten toen namelijk een huis (Burgemeester Hoogenboomlaan 53) 'belent Jacob Pietersz Kootenburch ten westen'.. Wellicht was Mieuws Schout Pieters dezelfde als de op 27 november 1607 vermelde
herbergier aan de Langereis Mieuws Pietersz. Op 23 april 1644 kocht de kersverse waard Pieter Jorisz 'een huys ende erve, wesende een herbergh, staende en leggende alhier aende Boeckel genaemt Het Huys van Egmont, belent met Dirck Jansz Smit ten westen en Rembrant Allertsz Backer ten oosten, mitsgaders noch een weytge achter deselve huysinghe en erf gelegen' voor maar liefst 3175 gulden van genoemde Jacob Pietersz Kootenburg (woonachtig aan de Koningspade). Voor het hout, turf en inboedel moest nog 102 gulden worden bijbetaald. Ten westen van de herberg stond een smederij (nu Burgemeester Hoogenboomlaan 47) en de oosterburen woonde op de plaats waar nu Burgemeester Hoogenboomlaan 53 is.

We maken een sprong naar 19 februari 1700. Timmerman Jan Cornelisz Keesoom, die toen al geruime tijd op nummer 53 woonde kocht op een openbare veiling het Huis van Egmond van Pieter Fredericksz Goenvelt uit Oosterblokker. De prijzen van onroerend goed waren in tussen enorm gedaald. Jan Keesoom betaalde 700 gulden voor een 'huys, erf, tuyn en een stukje graslant daer agter met de plantagie, (...), sijnde de herberge Thuys van Egmont, staende en gelegen tot Hoogtwoud inde Kercke straedt aende noortsijde' Tussen het erf van de herberg en het daarbij behorende weitje lag overigens een sloot. Voor 1733 had Jan Cornelisz Keesoom de herberg weer verkocht maar hij en zijn erfgenamen bleven tot 1850 wonen op Burgemeester Hoogenboomlaan 53. Het weitje over de sloot achter de herberg bleef wel eigendom van de familie Keesoom en hoorde sindsdien niet meer bij Het Huis van Egmond. Tegenwoordig hoort dit weitje (in 1832 bouwland en een boomgaard) bij Burgemeester Hoogenboomlaan 45, De gebroeders Jacob en Elbert Stuijt waren de nieuwe eigenaren maar in hun periode heeft het Huis van Egmond haar functie als herberg verloren.. Zij waren zonen van de eigenaar van de Witte Valk, namelijk Jan Jacobsz Stuijt (zie voor de familie Stuijt verder bij De Witte Valk tot 1731).

Deel van minuutplan 1832 (Hoogwoud, sectie D2).

Hoelang het Huis van Egmond het als herberg nog heeft volgehouden is niet bekend. Van de gebroeders Stuijt is slechts bekend dat zij paardenkoopmannen waren. Op 23 april 1763 verkoopt koopman Jan Stuijt een 'een huys, stallinge en erve sijnde vanouts genaamt het Huys van Egmont' voor 45 gulden contant. Deze vermelding maakt duidelijk dat het Huis van Egmond geen herberg meer was, er wordt in de akte niet gesproken van een herberg. De stalling was vóór 1763 geheel aan de oostzijde van het perceel geplaatst op de grens met Jan Keesoom (nummer 53). In een akte van 1774 blijkt overigens dat de voormalige herberg bestond uit een twee woningen' (vermoedelijk een woning is het westelijke deel en het kroeggedeelte ten oosten daarvan), een zolder en een gang of 'voorendje'. Het westelijke deel bereikte men via de gang (voorendje) en de toegang tot de vroegere herberg zat aan de achterzijde. Bovendien moet er een werkschuur zijn geweest, mogelijk in het achterste deel. Op bijgaand kaartje uit 1832 (minuutplan van het kadaster) wordt één en ander duidelijk, het voorendje bestond toen nog. In 1809 kocht smid Jan Kunst, die sedert 20-04-1790 eigenaar was van de ijzersmederij naast de voormalige herberg, het oude Huis van Egmond. Voor 1832 verkocht hij de smederij, en zette hij zijn smederij voort in de voormalige kroeg. Tussen 1763 en 1809 woonde hier al een aantal wagenmakers zodat er al een werkruimte aanwezig moet zijn geweest. Van vader op zoon (allen Jan Kunst genaamd) is de smederij voortgezet totdat de laatste Jan Kunst (overleden 6 februari 1912) in 1907 de smederij verkocht aan Dirk Groot.

Omstreeks 1930. Uiterst links is een stukje van 
'De Rijstvogel' zichtbaar.

De familie Groot woont hier nog steeds en daarmee is de cirkel rond. Hoe zit het dan met het huidige Huis van Egmond? In oude akten vinden we geen vermeldingen van een herberg op deze plaats. Pas op 5 juni 1859 krijgt winkelier Pieter Koeten toestemming om zijn woonhuis annex winkel te verbouwen tot een café met een kolfbaan en dat betekende het begin voor café de Hoop, het huidige Huis van Egmond. Omdat dit artikel zich slechts richt tot de oude herbergen aan de Boekel valt het verdere relaas over deze relatief jonge herberg buiten beschouwing van dit stuk. Duidelijk mag zijn dat het huidige Huis van Egmond haar naam dankt aan het voormalige Huys van Egmont  Eigenlijk is de naamgeving van het huidige café dus wat ongelukkig gekozen maar toch leeft op deze manier de oude herberg nog een beetje voort!

De Witte Valk

Zoals reeds vermeld stond de Witte Valk op de plaats waar nu wooncentrum Kaijer is gevestigd. Hierbij moet worden opgemerkt dat wooncentrum Kaijer in twee fasen is gebouwd. Met de bouw van fase 1 werd op 17 juli 1959 een start gemaakt (zie gevelsteen in het pand) op de plaats waar ooit de kruidenierszaak van Commandeur stond (zie afbeelding). Wat niet veel mensen weten is dat in dit lange pand, tot omstreeks 1850, de kolfbaan van de Witte Valk is geweest. In 1887 was deze kolfbaan vermoedelijk reeds verbouwd tot 1 of 2 woon- annex winkelhuizen en waarin dus later de kruidenierszaak 'de Rijstvogel' van Commandeur zat. Op 7 september 1965 begon men met de sloop van de echte herberg die in die tijd café Ligthart werd genoemd. In juni 1966 was de opening van het geheel vernieuwde en aanzienlijk vergrootte wooncentrum.

7 september 1965.
Met de afbraak van de Witte Valk is men reeds begonnen.
Rechts is het eerste deel van wooncentrum Kaijer uit 1959 
zichtbaar.

Voor de oudst bekende geschiedenis van de Witte Valk gaan we terug naar het jaar 1630. In dat jaar lezen we over ene Pieter Thymonsz, herbergier aan de Boekel. Dat hij herbergier was in de Witte Valk blijkt uit een verkoopakte uit 1644. Op 29 april van dat jaar verkocht Sijbrich Jans dr., de weduwe van Pieter Thymonsz en inmiddels hertrouwd met Cornelis Ryersz Lodder (paardenkoopman), een huis en erf 'wesende een herbergh met een paerdestal daerachter genaemt de With Valck' De herberg lag ten zuiden aan 'den heerenwech genaemt de Kerckelaen' De nieuwe eigenaar van de Witte Valk was Cornelis
Eddicksz Vlaer, een telg uit een bekend Opmeers geslacht. Zijn vader was de Opmeerder schepen Eddik Jansz Vlaer die op zijn beurt een zoon was van Jan Vlaer Evertsz of Jan Evertsz of Jan Evertsz Vlaer. Anna Dirks, de moeder van laatstgenoemde, liet haar testament opmaken op 5 maart 1612. Zij liet onder anderen een huis bezuiden de kerk van Opmeer en een huis aan het Slimpad (thans Herenweg) te Spanbroek na aan haar vier kinderen. Genoemde Anna Dircka was de weduwe van Evert Jacobsz Vlaer en zij waren dus de overgrootouders van Cornelis Eddicksz Vlaer. Dat Cornelis Eddicksz daadwerkelijk herbergier in de Witte Valk was blijkt uit een akte van 1654. Op 30 september van dat jaar begaf de Hoogwouder dokter (chirurgijn) Gerrbrant Claes Langendijck zich naar een ‘sekere bovenkamer' in de herberg van Cornelis Eddicksz Vlaer. In die kamer bevonden zich de toenmalige baljuw Vincentius Annocque en Aerjan Aerjansz Kousebant. Dokter Gerrbrant Langendijck was behoorlijk kwaad want hij besprong de baljuw 'op een verradelijke maniere buijten waerschouwinge ofte redenen (...) bijden donckeren op een pubelijcke plaetse' De baljuw ontsnapte naar zijn zeggen ternauwernood aan de dood want de dokter begon 'seer wredelijck met vuijsten te slaen' Ook hier is de reden van dit voorval onbekend.

Etiket van een luciferdoosje uit 
de kruidenierszaak 'De Rijstvogel'.

Aan het einde van de 17e eeuw en het begin van de 18e eeuw is de roomse familie Stuit (of Stuijt) eigenaar van de herberg geweest. Vader Jan Jacobsz Stuijt had in ieder geval twee zonen die we in de 18e eeuw regelmatig tegen komen. De oudste zoon Jacob Jansz Stuijt trouwde als jongeman op 15 april 1704 met Trijn Ariens. Zijn jongere broer Elbert Jansz Stuijt huwde op 21 januari 1710 met Marie Ariens, wellicht de zus van Trijn Ariens. De gebroeders Stuijt waren paardenkoopmannen en we vinden ze nooit vermeld als herbergier. Het valt dus te betwijfelen of zij zelf ooit de tap hebben bediend. Op 23 januari 1731 waren zij nog eigenaar van de herberg maar niet veel later hebben zij de Witte Valk verkocht.

Deel van minuutplan 1832 (Hoogwoud, sectie D3).

We maken een sprong naar 10 november 1788. Op die datum kocht Gerrit Gellet een huis en erf genaamd de Witte Valk voor 1.250 gulden contant. De eerder genoemde kolfbaan bestond voor die tijd waarschijnlijk nog niet. Tussen 1788 en 1801 is de kolfbaan door Gerrit Gellet gebouwd op de plaats waar in 1644 de paardenstal stond. Dit blijkt uit een verkoopakte van 24 februari 1801. Gerrit Gellet verkocht toen voor 1.095 gulden ' een, wel ter neering staande herberg met desselfs overdekte kolfbaan' De kolfbaan was zo gebouwd dat de westgevel deels op het buurperceel stond. Dit buurperceel bestaat nog als Burgemeester Hoogenboomlaan 76. Voor 1788 werd er waarschijnlijk gekolfd in het Witte Huis of op het weiland tussen de Dieringersloot en de erven aan de Boekel. Dit land heette namelijk de Kolfweide. Het huidige Hertenkamp is nog een onbebouwd gedeelte van deze voormalige Kolfweide. De situatie van de Witte Valk zoals beschreven in 1801 is identiek aan de situatie op de kadasterkaart van 1832. De eigenaar van de herberg in 1832 was wijnkoper G. Meelenbrink uit Alkmaar, hij verkocht in 1842 de Witte Valk aan Klaas Leek, herbergier aan het Niedorper Verlaat. Laatstgenoemde verkocht de herberg op 11 december 1844 aan Aris Goed die de boel echter in 1848 weer verkoopt. Uit de kroniek van Olfert Schermer blijkt dat de Witte Valk in 1887 eigendom was van Gerrit Groot. De kolfbaan was toen reeds verbouwd, hierin woonde toen Cornelis Wever en Gerrit Slijkerman.

Omstreeks 1904. Het lange pand met de witte band (links) is
de voormalige kolfbaan.

Op 15 februari 1900 verkocht Freek Groot (de zoon of familie van Gerrit Groot?) de herberg voor 3800 gulden aan Johannes Koop Jacobzoon uit Medemblik. In het dagboek van Olfert Schermer lezen we dat laatstgenoemde de Witte Valk op 22 december 1906 voor 4200 gulden verkocht aan Arie Breed. In originele documenten berustend bij de familie Breed blijkt echter dat Johannes Koop het koffiehuis, stalling en erf op 2 februari 1907 voor 3600 gulden overdroeg aan Arie Breed. Toch moet Arie Breed voor 2 februari al betrekkingen met het café gehad hebben want hij kreeg op 18 januari 1907 al toestemming van de gemeente om een deel van het koffiehuis en logement te verbouwen tot slagers-, en schilders-werkplaats.

Arie Breed was schilder, slager en herbergier. Ruim twee weken na de officiële aankoop begon hij met de aanleg van een riolering en op 15 februari 1918 werd de hele woning verbouwd. Joop Breed, een zoon van Arie, nam op 8 februari 1933 de zaak over van zijn vader. Een andere zoon van Arie, nl. Gert Breed nam de slagerij over en liet kort daarna een nieuw huis en slagerij bouwen aan het Zuideind (Herenweg 56). In 1957 verkocht Joop Breed de Witte Valk aan Jan Ligthart die tot de sloop in 1965 het café runde. De familie Ligthart is toen in het huidige Huis van Egmond gekomen en heeft daar nog jaren gezeten.

De Witte Valk van de familie Ligthart begin jaren '60.

Het Witte Huis

Aan de viersprong te Hoogwoud staat al eeuwenlang een herberg die we thans kennen onder de naam het Witte Huis. Ondanks de aanbouwsels aan de achterzijde en de recente snackbar die tegen de noordgevel is aangebouwd heeft het pand, vanaf de weg gezien, haar nostalgische uiterlijk grotendeels behouden. Omstreeks 1920 werd de kroeg voor het eerst wit gesaust maar pas zo'n 40 jaar later werd het café daadwerkelijk het Witte Huis genoemd. De geschiedenis van het Witte Huis zal waarschijnlijk, net als de Witte Valk en het Huis van Egmond, teruggaan tot de 15e eeuw. Tijdens de bouw van meubelzaak Kaijer werd op de plaats van de oude kolfbaan een gaaf Jacoba kannetje uit de 1e helft van de 15e eeuw gevonden. Een paar meter noordelijk van de snackbar van het Witte huis werd een paar jaar geleden een prachtige vuurklok (een deksel die over hete kolen werd gezet) gevonden. Deze vuurklok stamt uit de 14e of 15e eeuw. Dit zijn geen bewijzen van het bestaan van herbergen maar wel een bewijs dat er aldaar in die periode werd gewoond.

Uitspanning de Eendracht in de tijd van P. Has.
T. Pannekeet staat hier met zijn knecht voor de in 1907
gebouwde overdekte ingang.

In april 1633 compareerde Lauris Pietersz Raephorst voor de baljuw van Hoogwoud met de mededeling dat hij 1.000 gulden schuldig was aan Cornelis Jacobsz Beers. Dit vanwege de aankoop van 'een huys ende erve, staende ende leggende alhier aende Boeckel, wesende de herberge vant Swaentghe, belent de weduwe van zal: Sijvert Jansz ten noorden ende Trijn Sijverts dr. ten westen' De noorderburen van de herberg (de baljuw en leenman Sijvert Jansz en later zijn weduwe) woonden op de plaats waar nu de Rabobank is gevestigd en het huis van Trijn Sijverts dr. stond op de plaats waar nu de familie Smit-Luiken woont (Burgemeester Hoogenboomlaan 55). Lauris Raephorst moest bovenop de aankoopsom nog 100 gulden betalen voor de inboedel en maar liefst 600 gulden wegens zogenaamd 'besteck' Omdat dit laatstgenoemde bedrag betaald moest worden aan Jonas (Joris?) Zegertsz en Susanna Maes, brouwers in de 'Drie Kruijcken' te Haarlem, moeten we bij ‘bestek’ niet denken aan vorken, lepels en messen of een bouwtekening, maar aan opgeslagen vaten bier. Hoogwoud kende in die tijd twee panden die functioneerden als bier-opslagplaats, in die tijd een bierstekerij (bestek) of bierstal genaamd. Een daarvan stond tegenover voormalig café de Snip aan de Langereis (aan de andere kant van de Westerboekelweg) en de ander ongeveer op de plaats waar nu de familie Bijwaard woont (Herenweg 56). Uit diverse 18e eeuwse verkoopakten blijkt dat de laatstgenoemde bierstal zeer oud en florerend moet zijn geweest. Op 21 augustus 1770 lezen we bijvoorbeeld over 'een huijs ende erve, sijnde een neeringrijke biersteekerij, met het regt daartoe, waarin die neeringe seedert onheugelijke jaarents geaxereeert —en nog met goed succes- word gecontinueert, voorsien met verscheidenen koestallen en een groote verwulfde kelder' Het brouwers echtpaar Zegertsz-Maes deed goede zaken in Hoogwoud, ook bij het Huis van Egmond en de Witte Valk vinden wij hen met behoorlijke tegoeden vermeld.

Omstreeks 1900.
Geheel rechts is de doorrijstal van het Witte Huis zichtbaar.

Zoals gebleken is heette het Witte Huis in 1633 het Zwaantje, wellicht vernoemd naar de wrede volksspelen uit het verleden. In 1665 was de naam van de herberg reeds veranderd in de Jonge Prins, net als het Zwaantje en de Witte Valk een niet erg originele naam voor een herberg in die tijd. In een notariële akte d.d.16 mei 1665 lezen we dat Aaf Luijtjes dr. 'het huijs sijnde de herbergh daar de Jonge Prins uijt hanght' vanaf de herfst 1664 tot mei 1665 had gehuurd voor een bedrag van 39 gulden. Tegen het eind van de 17e eeuw is Sijmen Jansz Kleij hospis (kastelein, herbergier) in herberg de Jonge Prins. Deze herbergier had het blijkbaar niet zo op de plaatselijke overheid. Op 5 april 1696 bedierf hij letterlijk het periodieke etentje van de baljuw, schepenen en regenten. Deze maaltijd werd naar goede gewoonte genuttigd ter afsluiting van de schouw op de openbare wegen. Cornelis Jansz Tames (mogelijk de Willemshoeve aan de Koningspade) was ditmaal de gastheer maar Sijmen Kleij voegde bewust bedorven specerijen toe aan de maaltijd. Baljuw Michiel Heijnsius, mede gedupeerde, schreef hierover op 8 mei 1696: 'het welcks iseen saecke van een seer groote goddeloose en voorbedagte moetdwil welcke in een lant van goede politie niet kan werden geleden' Of Sijmen Kleij erg geleden heeft onder zijn vonnis is niet bekend, op 29 april 1700 verkocht hij de Jonge Prins (met stalling en erf) voor 400 gulden aan wijnkoper Jan Lantman uit Hoorn. Sijmen Jansz Kleij overleed op 14 april 1715 en zijn zerk ligt tot op heden in de N.H. kerk te Hoogwoud. De Jonge Prins heeft ook nog eigenaren van adellijke afkomst gehad. Op 17 september 1741 kocht niemand minder dan heer Willem Maurits van Cats de herberg met kolfbaan voor 700 gulden. De heer van Cats, die in 1719 trouwde met Catherina, barones van der Noot, werd na het overlijden van zijn vrouw in 1727 heer van Hoogwoud.

Wapen van het echtpaar Cats-van der Noot afkomstig uit de
voorgevel van het huis Ter Coulster in Heiloo.

Catherina was net als haar moeder Maria Cornelia van (den) Boetzelaar vrouw van Hoogwoud geweest en via deze lijn kwam de heerlijkheid in 1727 in handen van Willem Maurits van Cats. Willem woonde op het adellijke huis Ter Coulster in Heiloo. Toen Willem Maurits van Cats op 19 december 1743 overleed kwam de heerlijkheid Hoogwoud aan zijn zus Louise Hedwig terwijl de Jonge Prins en onder andere Ter Coulster aan zijn neef Jacob van Cats werd toebedeeld. Pas in 1784 word de Jonge Prins door een niet nader genoemde heer van Cats, Coulster enz. verkocht terwijl de laatst bekende eigenaar, Jacob van Cats, reeds in 1773 was overleden. De broer en erfgenaam van Jacob (eveneens Willem Maurits genaamd) overleed in 1775 en liet een 12 jarig zoontje na. Het zal deze jeugdige erfgenaam zijn geweest die op 6 mei 1784 de Jonge Prins verkoopt voor 280 gulden aan de roomse Jan Klaasz Wit uit Hoogwoud. Laatstgenoemde veranderde de naam van de herberg in de Lindeboom, mogelijk genoemd naar de twee lindebomen die vanouds voor de herberg stonden. Lijsbeth Koomen, de weduwe van Jan Klaasz Wit, verkocht op 7 april 1807 de herberg aan Gerrit van Daanberg die een week daarvoor de Witte Valk had verkocht. Gerrit ving 1200 gulden voor de Witte Valk en betaalde 700 gulden voor Het Witte Huis. Lang heeft Gerrit van Daanberg niet in de Lindeboom gezeten, in 1810 verkocht hij de boel aan Rens Visser. In 1832 was de Lindeboom ingericht als armenhuis, ook het toen al zo'n 100 jaar lege perceel waarop nu de Rabobank staat hoorde bij de herberg. Tot de Franse tijd waren de diakenen van de N.H. kerk verantwoordelijk voor de opvang van armen en wezen maar na die tijd werd dit een taak van de plaatselijke overheid. Waarschijnlijk is de Lindeboom vlak na 1811 aangekocht door de gemeente en ingericht tot armenhuis. In januari 1854 werd het 'bullopershuis' (Burgemeester Hoogenboomlaan 34-36) verbouwd tot armenhuis en werd de Lindeboom verkocht. In deze tijd werd het aan de Herenweg gelegen gedeelte van de Lindeboom herbouwd. Via Aris Goed, Dirk Kos en T. Druif komt de herberg in mei 1891 in handen van de 25 jarige Cornelis Post die de Eendracht (de nieuwe naam voor het Witte huis) op 13 februari 1896 voor 3270 gulden verkoopt aan Gerrit Oostwouder uit Langedijk. Op 11 november 1907 kreeg kastelein Oostwouder toestemming om een overdekte ingang te maken aan de Herenweg zijde. Dit aanbouwtje moest echter vanwege de verkeersveiligheid eind jaren '60 weer worden gesloopt. Tegen het einde van 1907 verkocht Oostwouder de Eendracht voor 10.000 gulden aan P. Has die de herberg voor hetzelfde bedrag op 1 september 1919 overdroeg aan Modder uit Bergen.

Deel van Minuutplan 1832 (Hoogwoud, sectie D2).

Op het perceel waar nu de Rabobank staat stond toen al geruime tijd een kolfbaan die later ook dienst deed als verenigingsgebouw. Dit 'clubhuis' (begin jaren '50 'de oude toneelzaal annex kolfbaan' genaamd) werd afgebroken tijdens de plannen voor de bouw van het dorpshuis. Tegenstanders van de komst van het dorpshuis waren namelijk van mening dat verenigingen een prima onderdak hadden in dit, bij het Witte huis behorende, gebouw. Uiteindelijk werd het zogenaamde 'lokaal' vanwege ouderdom en afmeting gesloopt zodat de weg naar een nieuw en uniek dorpshuis geopend werd. Op de plaats van de oude kolfbaan werd in 1960 de Boerenleenbank gebouwd die in 1981 werd vervangen door de huidige Rabobank.

Interieur van het 'lokaal',
de voormalige kolfbaan, in 1926.

Opdruk suikerzakje van het Witte
Huis in de periode van Ted Beers.

In de tijd van herbergier Modder is de Eendracht wit geschilderd, deze actie heeft na de 2e wereldoorlog geleid tot de huidige naamgeving van het café. Na de familie Modder horen we nog van ene Liefhebber als eigenaar van het café. Ook is de familie Keijzer eigenaar geweest van het café (tot ongeveer 1961) dat niet lang daarna officieel Het Witte huis werd genoemd. Via Keijzer kwam het café in handen van Ted Beers, een vertrouwde familie naam (zie 1633!), die het pand in 1974 overdroeg aan Klaas en Guda Leeuwenkamp. Sinds januari 1987 is het Witte Huis in eigendom van de familie Louis en Ella Schilder-Modder die zich sinds enige jaren ook eigenaar van het huidige Huis van Egmond mag noemen. Zo komt een einde aan een kijkje in de geschiedenis van drie oude herbergen in de kern van Hoogwoud.

Het Witte Huis met snackbar in 1995.

Bronnen en Literatuur

Algemeen:

  • • Jan Beenakker, Van Rentersluze tot strijkmolen, blz. 196 (Alphen a/d Rijn 1988).
  • • H.G. Hamaker, De Rekeningen der grafelijkheid van Holland onder het Henegouwse huis, deel 2, blz. 269 (1875).
  • • P. Bossen, Kroniek van de dorpen Aartswoud en Hoogwoud, blz. 120 en 122 (Alkmaar 1938).
  • • J.S. Magnin, Coquerellen, volksfeesten, maatregelen ter voorkoming van drinkgelagen, dronkenschap... enz. In: Navorscher, nr. 30, blz. 113-116 (1880).
  • • O.R.A. S.H.A., bergnummer 5473 (1621).
  • • N.A. S.H.A., bergnummer 1999 (8-4-1664).
  • • T.E.A. Douwes, scheepvaartadministratie als bron voor genealogic en naamkunde. In: jaarboek Centraal Bureau Voor Genealogie, deel 38, blz. 211 (1984).
  • • Kadastrale kaarten (D2 en D3) en Oorspronkelijk Aanwijzende Tafel uit 1832 en kadastrale leggers tot 1850 van Hoogwoud.

Huis van Egmond:

  • • N.A. S.H.A., bergnummer 1995 (17-06-1608).
  • • O.A.M.., bergnummer 995 (1621).
  • • O.A.M.., bergnummer 1010 (1637).
  • • O.R.A. S.H.A., bergnummer 5473 (1623), bergnummer 5493 (1-06-1633 en 23-04-1644), bergnummer 5494 (19-02-1700), bergnummer 5501 (23-04-1763, 7-11-1764 en 8-05-1765), bergnummer 5502 (3-05-1774), bergnummer 5503 (20-04-1790 en 31-07-1792), bergnummer 5504 (14-07-1799), bergnummer 5506 (1809).

De Witte Valk:

  • • Krantenknipsels uit plakboek van mevr. A. Wester te Hoogwoud.
  • • N.A. S.H.A., bergnummer 1995 (5-3-1612).
  • • De leenkamer van Hoogwoud, 1472-1645. In: Ons Voorgeslacht, jaargang 35, blz. 406 (1980).
  • • P.J. Broers en R.H. Pannekeet , bewerking van R.K. huwelijk te Hoogwoud (1700-1797) (Blokker/ Hoorn 1997)
  • • O.R.A. S.H.A., bergnummer 5473 (1630), bergnummer 5493 (29-04-1644), bergnummer 5499 (2-05-1741), bergnummer 5500 (4-05-1757), bergnummer 5501 (19-09-1758, 17-03-1760), bergnummer 5503 (24-04-1782, 9-02-1787 en 10-11-1788), bergnummer 5504 (4-02-1801), bergnummer 5505 (5-02-1805 en 31-03-1807).
  • • O. Schermer, Een Kleine Kronijk (2877-1938). In: In het heden ligt het verleden, jaarboek stichting Hoochhoutwout, biz. 50 (juli 1999).
  • • Verleende bouwvergunningen gemeente Hoogwoud vanaf 1906, samengebracht in zgn. geschiedenismap in het gemeentehuis van Opmeer.
  • • Vriendelijke mededelingen van de heer A. Breed te Hoogwoud en familie J.S. Ligthart te Spanbroek.

Het Witte Huis:

  • • O.R.A. S.H.A., bergnummer 5493 (april 1633), bergnummer 5494 (29-04-1700), bergnummer 5487 (8-05-1696), bergnummer 5499 (17-09-1741), bergnummer 5503 (6-05-1784), bergnummer 5505 (7-04-1807), bergnummer 5506 (1810).
  • • N.A. S.H.A., bergnummer 1999 (16-05-1665).
  • • Mr. J. Belonje, Ter Coulster, blz. 37-47 (Wormerveer 1946).
  • • 0. Schermer, Een Kleine Kronijk (1877-1938). In de jaaruitgaven van de stichting Hoochoutwout wordt, vanaf 1999, deze kroniek van Schermer in delen uitgegeven.
  • • Verleende bouwvergunningen gemeente Hoogwoud vanaf 1906 (gemeente Opmeer).
  • • 'Dorpshuis archief', in 1995 nog ter plaatse bewaard.
  • • Vriendelijke mededelingen van familie Leeuwenkamp te Hoogwoud.

Afkortingen:

  • • O.R.A. S.H.A. = Oud Rechterlijk Archief van Hoogwoud en Aartswoud berustend bij de archiefdienst voor Westfriese gemeenten te Hoorn.
  • • N.A. S.H.A. = Notarieel Archief van Hoogwoud en Aartswoud, idem te Hoorn.
  • • 0.A.M.= Oud Archief Medemblik, idem te Hoorn.

 

Website designed and build by Déanluma