Zeven maanden concentratiekamp

Door Dr. J. Hemelrijk Sr. Bewerking door Louis Groen en Erik Mooij

Burgemeester Dirk Hoogenboom liet op 20 februari 1943 in zijn woning te Aartswoud het Joodse echtpaar Hertogs uit Amsterdam onderduiken. De heer Hoogenboom was naast zijn werkzaamheden voor de Landelijke Organisatie voor de hulp aan Onderduikers (LO) ook betrokken bij het vervalsen van Persoonsbewijzen en de totstandkoming van Je Maintiendrai, een van de belangrijke illegale bladen. Toen de schuilplaats van het echtpaar Hertogs bij de Sicherheitsdienst (SD) bekend was geworden, volgde op 22 juni 1944 een inval in de woning van de familie Hoogenboom. Het echtpaar Hertogs en Dirk Hoogenboom werden gearresteerd. Na eerst in het Huis van Bewaring aan de Amstelveenseweg in Amsterdam te hebben vastgezeten, kwam Dirk Hoogenboom op 26 juli 1944 in het kamp Vught terecht. Na de ontruiming van Vught werd hij naar het kamp Sachsenhausen vervoerd, waar hij op 5 september 1944 is binnengekomen. Op 6 februari 1945 ging Dirk Hoogenboom vanuit Sachsenhausen op transport naar het kamp Buchenwald. Tijdens het evacuatietransport uit Buchenwald richting Theresienstadt is hij overleden, de exacte datum en plaats is niet bekend.

De heer Hemelrijk maakte burgemeester Hoogenboom in de laatste maanden van zijn leven mee en heeft zijn herinneringen aan het einde van 1952 en het begin van 1953 opgeschreven voor zijn familie en naaste vrienden. Omdat zijn herinneringen een goed beeld geven van de persoon Dirk Hoogenboom en de laatste maanden van zijn leven hebben wij de passages die direct betrekking hebben op burgemeester Hoogenboom in dit artikel samengebracht.

Heinkelfabrieken

Hoogenboom, burgemeester van Hoogwoud, was zwijgzaam en trouwhartig. De goedheid las je van zijn gezicht; hij trok me bijzonder aan. Met hem heb ik contact gehouden tot de dag voor mijn bevrijding in Buchenwald. 'Hoe lang zou het nog duren, Hemelrijk?' vroeg hij me regelmatig 7 maanden lang en vol vertrouwen in mijn antwoord; dat hij telkens weer vergat, totdat het uitkwam - maar een dag te laat voor hem. Ik heb de verjaardag van zijn dochter op de philosophenheuvel in alle stilte en intimiteit met hem gevierd. Die dag was hij zijn ontroering niet meester. Hij bleef onder alle omstandigheden gelijkmatig opgeruimd en was nooit somber zoals burgemeester Smulders, met wie hij in Buchenwald veel samen was. Naast Hoogenboom voelde je je nooit eenzaam, ook al zei hij niets.

Met van der Pol, directeur der H.B.S. te Hoorn heb ik na een onaangenaam incident heel lang vriendschappelijk contact gehad tot in Buchenwald. Van der Pol was tot zijn ongeluk groot en stevig gebouwd, zodat hij vaak voor het zwaarste werk werd aangewezen. Toch heeft hij het tot het laatste uitgehouden en is toen, evenals Hoogenboom, de dag voor de bevrijding mee op dodenmars gegaan.

Sachsenhausen

lk zocht troost bij anderen. Van der Heijden, een sigarenfabrikant uit Hilvarenbeek, zat tegenover me, naast een Fransman. De Fransman had eudeem en natte voeten. Het was een eenvoudige boer uit Noord-Frankrijk, die in gedachte nog op de boerderij leefde en zich hier heel onwennig voelde.

Van der Heijden was een eenvoudig man en zeer gelovig Katholiek. Twee zoons van hem waren ook gevangen genomen. Hij had dus kopzorg genoeg. Maar hij wanhoopte niet. 'Ik denk veel aan huis; ik bid veel', zei hij vertrouwelijk tot mij. Hij zat dan ook vaak stil en in zichzelf gekeerd te werken, alsof het geval om hem heen niet bestond, en hoopte op het wonder van de bevrijding. Dan moest ik hem komen opzoeken. Want de omgeving was daar in Brabant zo mooi, Dat hij mij zijn vertrouwen schonk, gaf een sterke gebondenheid. Ik heb hem beloofd te komen: met Pasen, zoals hij vroeg, maar zonder een zweem van de hoop, die hem op de been hield. Ik heb mijn woord niet gehouden, want hij is niet teruggekeerd. Misschien gelukkig voor hem, want zijn zoons hebben de bevrijding niet meer gezien.

De Poolse opzichter kreeg op een dag een uitbrander van de 'Vorarbeiter' en werd afgezet als baas. Hij kon het niet best verkroppen en voelde ons leedvermaak, Ik kon nu zonder bezwaar voor de afwisseling ook eens naar die tafel verhuizen, waar Hoogenboom zat tussen Dorsman, de apotheker, en een Hollander, wiens naam ik niet ken. Hoogenboom was bijzonder verdraagzaam want die naamloze Hollander verveelde hem niet eens en hij was toch zo stomvervelend. Als de soep op was, likte hij alles af, ook zijn lippen, en zei steevast, om zijn kennis van Duits te luchten en om iets van belang te zeggen: 'Das Essen was wieder prima vandaag' Ik schoof tussen Dorsman en Hoogenboom en keek, hoe ze het fijnere materiaal uit elkaar plozen. Ze hadden er een soort genoegen in, veel meer dan in lijntrekken en praten. Want het werken kortte de dagen en nam je gedachten neutraal in beslag. Hoogenboom vroeg weer, wat hij altijd vroeg: 'Hoe lang duurt het nog, Hemelrijk?' Dat mijn antwoorden tot nu toe onjuist waren gebleken, schokte zijn vertrouwen niet in het minst: een teken van het ware geloof. Dorsman stond altijd zijn handen te wrijven, alsof hij het grootste plezier had. Hij was een beminnelijk man, oer vriendelijk, maar een beetje schlemielig van aard. Dat wist hijzelf ook en hij moest erom lachen. ‘Ik heb altijd pech', zei hij met een brede grijns om zijn mond, als hij weer van een klein ongeluk vertelde.

Heel anders dan Roos, die er somber bij keek en zich door het lot steeds tekort gedaan voelde. Dorsman kon om zichzelf meelachen, alsof hij het zelf niet was. En hij had ook altijd wat. Een keer was hij echt niet in zijn schik. Want hij had een mooie witporseleinen eetkom gekocht, - ik weet hoe duur - toen de andere hem weer was ontstolen. Hij liet hem ons zien en bewonderen. Deze was ook meer hygienisch: je kon hem goed wassen en de soep smaakte er vast lekkerder uit. Voor de veiligheid zette hij de kom niet op de grond, maar op een dwarsplank onder de tafel. Wie er tegenaan geschopt heeft, weet ik niet meer, waarschijnlijk hijzelf, want kletterend viel de kom aan gruzelementen op de grond, nog voordat het soeptijd was. Hoogenboom zamelde bij ons sigaretten in om een nieuw etensbakje te kopen voor Dorsman van een Rus, die er prompt een te koop bood; maar niet van porselein.

Leven en sterven in Buchenwald

Tot nu toe heb ik gezwegen over Johnny Beldman, hoewel mijn ontmoeting met hem tot een bijzondere verhouding heeft geleid, die geëindigd is met een vreemd raadsel en een verbluffende ontknoping.

Alleen wie in de uiterste ascese en ontbering nog bevrediging kan vinden, kan overal gelukkig zijn. Daardoor verloor de dood zijn verschrikkelijk aanschijn. Hij kreeg een ander gezicht, een milder gezicht. Je raakte met hem vertrouwd. Je sliep (of lag wakker) in zijn armen. Bij het opstaan keek je al rond, of er ergens in de buurt iemand verstijfd bleef liggen. De naaste buren hadden de dode al tijdig uitgekleed, uit eigenbelang.

Rijs uit Warmenhuizen gedroeg zich heel onopvallend. Zijn laconisme en zijn handigheid waren zijn behoud. Hij bleef gezond tot na de bevrijding, toen het goede eten zijn onwennige spijsvertering bedierf.

Het burgemeesterspaar Smulders en Hoogenboom wekte veel stille sympathie door eenvoud en pretentieloosheid, al vertoonden ze zich weinig aan tafel, doordat ze hun vrije tijd op hun bed doorbrachten om hun krachten te sparen. Het heeft hun helaas niet geholpen.

Hoe ze zijn omgekomen, vertel ik in het hoofdstuk 'De Bevrijding' En dan Johnny en ik aan die tafel. Mezelf heb ik weinig gezien; ik heb teveel op anderen gelet. Johnny kreeg in zijn beide oksels door die vuile ontsmettingskwast een smerige huidontsteking met etterende gezwellen, die hem veel pijn deden, zodat hij de ene arm, die hij had, niet kon gebruiken en volslagen hulpbehoevend was.

De Bevrijding

Pasen kwam met prachtig weer, maar zonder bevrijding. En het ongeduld zweepte de mensen op en spande hun zenuwen. Het ging om leven of sterven; om terugkeer of ondergang. Elk ogenblik kon de beslissing vallen. En niemand wist, hoe die vallen zou. De berichten waren heel gunstig. De Amerikanen rukten op.

Morgen begon de evacuatie. In het zicht van de haven vergaan noem je dat. 'Zie je wel, Hemelrijk!' zei Smulders spijtig. 'Jij met je optimisme! Ik heb het je wel gezegd. We overleven het geen van alien' Hij had het me inderdaad gezegd en ik moest hem gelijk geven nu. Tegenspreken had verder geen zin.

Wie is er op de listige gedachte gekomen, die vele tientallen Nederlanders van de dood heeft gered? Enkele mannen van de veiligheidsdienst zamelden witte banden en gingen met die banden in hun zak en een om de arm de hal binnen, die streng bewaakt werd door de S.S. Daar deelden ze aan uitverkorenen de banden uit en twee aan twee gingen deze bij tussenpozen de hal uit om geen argwaan te wekken. Beschermd door hun witte band kwamen ze in onze barak terug, waar ze met gejuich werden ontvangen. Onder hen waren Joekes en zoon. 'Wie heeft er nog vrienden, die hij graag wil redden?' werd ons gevraagd. Hoogenboom en Smulders!' riep ik gretig. Het was de laatste kans die avond, want het liep al tegen halfnegen. En daarna mocht niemand meer op straat. Even later kwamen ze binnen met opgetogen gezicht.

De volgende ochtend heel vroeg, vanaf 4 uur al, werd de redding voortgezet. Zij, die toen teruggehaald werden, o.a. Geert de Jonge, hadden een verschrikkelijke nacht meegemaakt. Rovende en moordende troepjes desperado's (Oekrainers, Russen en Polen) overvielen ieder, die bagage had. Er werden verbitterde gevechten geleverd om kleren en eten. Men struikelde over de lijken. Van het eerste transport, dat van de joden, waren verschillenden naar boven geklauterd en hadden zich in de nok verborgen op en achter de dikke balken. 's Ochtends deed de S.S. de ronde en schoot hen in koele bloede als mussen naar beneden.

Die dag, maandag 9 April, werd de hal ontruimd en gingen er 10.000 op transport. 4 a 5000 joden waren al vooruitgegaan. Wij merkten niets van het vertrek; want we zaten in de barak en wachtten op het volgende vonnis. Als de Amerikanen eens wisten, hoe er naar hen gehunkerd werd! Ze waren al verder opgerukt. Men beweerde, dat in het dal de explosies der granaten te zien waren, die hun artillerie afvuurde op de wegen achter het Duitse front. Elke dag vertraging kostte 15.000 levens. Wij waren de inzet van een gigantische wedloop tussen de bevrijdende tanks en de maaiende dood.

Het werd avond, de avond van de 9e April. Er waren plm. 200 man in onze barak. Ritmeester kwam op me of en fluisterde me toe: 'Hemelrijk, het gaat erom spannen morgen. Als we weer opgeroepen worden naar de appelplaats, blijf dan bij me en doe net als ik. Meer kan ik je niet zeggen. En praat er met niemand over!' Ook niet met Johnny Beldman?"Ja, alleen met hem; want men wil jullie beiden niet scheiden’.

Er was dus een complot, waarin ik betrokken werd, maar waarvan ik verder onkundig bleef. Zou Hoogenboom ervan weten? Van het hele Sachsenhausentransport ging zijn redding mij het meest ter harte. Ik voelde tegenover hem iets als een morele verplichting, omdat ik hem zo vaak met mijn optimisme gevoed had. Ik had beloofd te zwijgen, om het complot niet in gevaar te brengen, maar Hoogenboom aan zijn lot over te laten leek me verraad. Ik ging dus naar hem toe en zei: 'Blijf morgen dicht bij me, als de oproep komt en doe net zo als ik; maar praat er met niemand over.'

De volgende morgen, op 10 April, was de spanning ondraaglijk. Er was telkens luchtalarm, dat kort duurde. Het werd 10 uur; niets gebeurde; 11 uur, nog steeds niets. Zou de luidspreker blijven zwijgen? Velen liepen onrustig heen en weer. Anderen stonden bij de ingang te wachten. Onze aandacht was tot het uiterste gespannen. 'Achtung! Achtung!' schalde het plotseling weer. 'Alle Haftlinge sofort antreten auf den Appelplatz!’ De zenuwachtige spanning ontlaadde zich in een gedrang naar de buitendeur. Ik volgde Ritmeester op de voet, geflankeerd door Johnny en Hoogenboom. We wrongen ons tussen anderen door en kwamen in de voorste rij, waar kamppolitie de mensen tegenhield. Slechts enkelen werden doorgelaten en in rijen van vijf een eind verder opgesteld. Het ging alles in een vliegende haast. Ik begreep, dat het om ons leven ging en dat een ogenblik van aarzeling de dood kon betekenen. Ritmeester werd doorgelaten en ik schoof achter hem aan. 'Wie ben je?' vroeg een ordebewaker, die me tegenhield. 'Hemelrijk', riep ik en rukte me los. Johnny snelde me achterna; ik keek om: Hoogenboom was ons niet gevolgd! Hij stond vlak achter de barrière der kamppolitie in de voorste rij op zijn tenen om beter te kunnen zien, zijn zware wenkbrauwen vragend opgetrokken.

Ik wenkte hem driftig met de hand; hij haalde met een wanhopig gebaar zijn schouders en handen op. Want men liet geen mens meer door. Wij stonden in de achterste rij. 'Hoogenboom moet nog mee! Daar staat hij vooraan!' zei ik gejaagd tot een ordebewaker. 'Dat kan niet meer, zei hij 'het aantal is vol. Een teveel brengt de anderen in gevaar' 'Klaar!' riep een commanderende stem. 'Afmarcheren en gauw!' Wij haastten ons naar het eind van de straat, dat 20 pas verder was en zwenkten toen naar rechts om onze barak heen. Op de hoek keek ik voor de laatste maal om en zag voor de laatste maal Hoogenboom staan met zijn vragende blik en zijn wenkbrauwen hoog opgetrokken, een beeld, dat mij met ontzetting heeft geslagen en me lang heeft achtervolgd; tot in mijn droom.

Van vreugde verzadigd en uitgehongerd keerden we laat in de middag naar onze barak terug. Johnny Beldman liep naast me en ik zei tot hem: 'Ik zal het je nu maar vertellen. Er is geen gevaar meer bij. lk ben jood, en ondergedoken geweest onder mijn eigen naam. Dat wist je natuurlijk niet. Johnny keek me met grote ogen aan; de uitdrukking ervan begreep ik niet; 't was meer dan verbazing.

We reden in de schemering door het vlakke land en zagen naar rechts in de verte de Keulse Dom staan dromen. Aken was een stad van spookhuizen geworden, van geraamtes zonder ruiten en zwartgeblakerde kozijnen. Maar de wegen waren weer schoon. Het puin lag aan de kant. Met holle, dode ogen 'keek' de stad ons 'aan'; geen levend wezen was er te zien. En geen enkel licht. Ja toch, in een huis op een bovenverdieping zagen we een zwak lichtje branden. Het was een luguber afscheid van een land, dat de slagen teruggekregen heeft, die het zo roekeloos aan anderen had toegedacht en een onverzoenlijke schuld op zijn geweten geladen heeft. Toen we het landgoed 'Jalna' tijdelijk mochten betrekken, waar ik voor het eerst in mijn leven mijn ogen dagelijks tegoed heb gedaan aan een stal (en weide) met edele renpaarden, die erbij hoorden, heb ik aan familie en vrienden een kaartje gestuurd met adreswijziging, dat in de kortste en droogste vorm de inhoud van dit hele boek weergaf.

Naam met voorletters : Dr. J. Hemelrijk

Beroep, kwaliteit        : Gevangene No. 12150

Oud adres:

Straat en huisnummer : Block 32

Naam der woonplaats : Buchenwald.

Nieuw adres:

Straat en huisnummer : Huize Jalna

Naam der woonplaats : Putten, B 6.

Met huivering heb ik het spannende verhaal van de ontsnapping van mijn drie zoons aan het Puttens drama aangehoord. Johnny was net als zijn vader lid van de N.S.B. geweest. Hij had door bedreiging met een revolver tegen joden zich hun bezittingen toegeëigend. Zo was hij in Buchenwald gekomen. Zijn verhalen waren dus van a tot z gelogen. Ik heb zijn proces bijgewoond. Hij stond er raar te draaien met zijn antwoorden en kreeg per slot 8 jaar internering. Mijn gevoelens waren tegenstrijdig en zijn het nog.

Had ik spijt ervan, dat ik hem met alle geweld heb willen redden? Nee, geen ogenblik heb ik zoiets gevoeld. Dat zou een miskenning zijn van de geheimzinnige draad, die door elk leven loopt. Het zou de verloochening zijn van een ervaring, die door zijn paradox tegelijk belachelijk en verheven is. En het zou de vraag, waar het om gaat, verstikken in plaats van haar voor beantwoording open te laten: 'wat betekende het, dat juist ik, een jood, me geroepen heb gevoeld om tot elke prijs een jongen het leven te redden, die joden bedreigd en beroofd had?'

J. Hemelrijk, September 1952.

 

Website designed and build by Déanluma