Drie generaties West-Friese vrouwen in de landbouw

Door Bart Knobbe

In 1998 heeft de Landbouwuniversiteit Wageningen een boekwerk uit doen komen waarin de rol van de vrouw in de landbouw tijdens de afgelopen 100 jaar besproken wordt (1). Wij treffen hier onder andere een aantal portretten in aan van vrouwen uit het begin van deze eeuw en hun nazaten. Op een aan een oude Libelle ontleende fotoreportage (1952) na, komt de West-Friese vrouw niet in het boek voor. Om deze leemte aan te vullen, ben ik op een zonnige middag in april naar De Gouwe getogen, alwaar op nummer 48 mevrouw Jannie de Rijcke-Glas met haar man in een monumentale stolp woont. De boerderij is al generaties lang in het bezit van haar familie (zie ook de vorige uitgave van Stichting Hoochhoutwout: Vroeger was alles aars).

Mevrouw Glas is in 1939 geboren als dochter van Simon Glas (1912) en Aaltje Appel (1915) op een boerderij aan de Gouwe (in het Laag nummer vier). Op dat moment wonen haar opa Laurens Glas (1884) en haar opoe, toen de gebruikelijke term om je grootmoeder mee aan te spreken, Grietje Glas (1884) aan De Gouwe nummer 48, waar zij een veeteeltbedrijf hebben. Het is een grote boerderij met 25 bunder land. Hiervoor hebben de ouders van Grietje, Simon Glas en Trijntje Pijper, op het bedrijf gewoond. Zij hebben de boerderij gekocht uit een boelhuis van de ouders van Trijntje.

Jannie vertelt

Toen ik op 14-jarige leeftijd de lagere school in Aartswoud verliet, ging ik bij mijn ouders werken. Ik hielp op het land, in de bouwerij, en molk de koeien. Later ging ik ook vier ochtenden in de week bij mijn opoe werken. Thuis verdiende ik niets, voor het werk bij mijn grootouders werd ik wel betaald. Ik kreeg vijftig cent per uur.

Wie was Opoe?

Opoe was een eenvoudige vrouw, wars van luxe. Wereldvreemd was ze echter niet, van de politieke ontwikkelingen en dergelijke was ze goed op de hoogte. Ze heeft altijd naar de kwaal geleefd omdat ze een zwakke gezondheid had. Toch heeft ze altijd hard gewerkt. Ze zei dan ook wel eens: 'Ik heb heel wat of flort' (red.: Het Westfries woordenboek geeft o.a.: florte- doelloos heen en weer lopen (p. 99). Het doelloos is in dit geval zeker niet bedoeld. Mevrouw J. Glas omschrijft het als: lopende vort veel dingen doen). Ze stond altijd vroeg op en waste zich in de handenwassenkom met het water uit de kruik dat dan nog lauw was. Ze was sowieso zuinig met water. Zo maakte ze met het water waar de piepers in gekookt hadden het gele straatje schoon. Dit hielp tegen het groen worden van de tegels en tegen de mieren.

Na zich gewassen te hebben, maakte ze het ontbijt klaar. Na het eten begon het huishoudelijke werk waarbij ik dan hielp. Een dienstbode had ze toentertijd al niet meer. Eerst werden de bedsteden opgemaakt, de po werd geleegd (de plee bevond zich achter de boerderij op de boenstraat, bij de ierkelder), het stof werd afgenomen en het beddengoed werd netjes gelegd. Om tien uur was het konkeltijd (red.: koffietijd). "Zus haal jij de manjes," zei ze dan. Ze noemde alle jonge meisjes namelijk zus (red.: West-Friese aanspreekwijze voor zus of zuster of een dochtertje), behalve als je gewoon op bezoek was, dan noemde ze je wel bij je voornaam. Stipt om twaalf uur werd het warme eten opgediend. Opoe heeft altijd op de stal gekookt en wel op de plek waar vroeger de haard was. Wij noemen die plek nog steeds de heerd. De gebruikte brandstof was brongas. Voor de drooglegging van de Wieringermeer kwam dat hier gewoon uit de grond, later was de hulp van een pomp nodig. Tijdens de onderwaterzetting was de druk weer hoog genoeg en konden we het zonder de pomp stellen. Ook de verlichting werkte trouwens op brongas. In 1980 is de laatste gasput geslecht, in verband met milieuverontreiniging moest er namelijk belasting over betaald worden.

Hoe zag de keuken eruit?

Opoes keuken bestond uit een tafel, losse gaspitten en een omwaskom. Hier heeft ze veertig jaar meegedaan. Op stal stonden ook de gortla, hierin lagen poetsspullen, stofdoeken en etenswaren als bonen en de pottenkast. Hierin bewaarde ze pannen, een trommel met kruidenierswaren en diggele, zo noem je alles wat van steengoed is. Kommen zonder oor werden skuttels genoemd. Kop en schotel noemde ze kom en bakkie. Het dure servies werd bewaard in het verste vores.

's Middags na de maaltijd ging ze even naar bed. Na de thee werden allerlei klusjes uitgevoerd, zoals kleren stoppen, het weggooien van kleren was er niet bij. Ze maakte ‘s middags altijd wat tijd vrij om de krant te kunnen lezen. Om zes uur was het weer etenstijd.

De zaterdag zag er anders uit: dit was de eerste wasdag, de was werd dan uitgestoten. Dit betekent het voorbehandelen van de was: kleren werden in de week gezet en gebleekt, de blauwe pakken werden geschrobd. In de tijd dat ik bij opoe kwam werken, deed ze dit zelf al niet meer. Ze bracht de kleren naar de wasserij. Mijn moeder waste toen nog wel op deze manier.

Andere bezigheden voor de zaterdag waren het schrobben van de koegang, de hooischotten en de spatschutten, het borstelen van de koeien en het steertenwassen. Daarna gingen we ragen en buitenommen: buiten alles schoon, en aan kant maken. De ramen werden ook met de rager schoongemaakt en gewassen met water dat er tegenaan gehoosd werd. Dit ging heel rap: omdat er minder kalk in het water zat, had je geen last van strepen. In verband met de door de brandende kachel veroorzaakte aanslag, werden de ramen ook wekelijks binnen schoongemaakt.

Zondag was een rustdag, ook later toen mijn vader, die niet kerkelijk was, de boerderij overgenomen had, werkten wij op zondag niet. Het was altijd wel druk op het bedrijf, maar toch leefden de mensen toen niet zo gejaagd als nu.

Maandag was de tweede wasdag. Het wassen was dus een enorme klus die zeer veel tijd vergde. Ik ben ervan overtuigd dat vrouwen pas wat meer aan zichzelf toekwamen na de intrede van de wasautomaat. Toen pas kon de emancipatie echt op gang komen.

Dinsdag werd er gestreken en zo was er de hele week door dus heel veel werk te verzetten, behalve, zoals gezegd, op zondag. Opoe heeft een heel deel van haar leven schoonmakend doorgebracht, maar dat gold eigenlijk voor iedereen in die tijd. En dan te bedenken dat ze het vroeger nog veel drukker hadden op het bedrijf. Toen maakten ze ook nog kaas en boter, maar dat was voor mijn tijd. Wat ik nog wel weet is dat ze jam maakte en in de gasoven appeltjes droogde (Groninger Kroontjes). In de boomgaard groeide veel fruit; op opoes verjaardag kregen we altijd geritste bessen op suiker. De fruitbomen uit de tijd van mijn opoe staan er nog steeds.

In het voorjaar vond de grote schoonmaak plaats. Iedereen hielp hieraan mee. Opoe zei dan wel: 'Voordat je alle hôle (ruimte onder de bedstee) en gaten (West-Fries voor deur) te pakken hebt, ben je al een mooi tijdje bezig.' En, als het klaar was: 'Ik heb alle zeventig deuren weer gehad.' Ze had ze blijkbaar geteld. Niet alleen in en buitenshuis werd dan alles opgeruimd en schoongemaakt, maar ook de stallen werden gedaan. We richtten dan een zomerstal in en woonden hier dan ook, op het staltje.

Wat voor man was uw opa?

Die was eigenlijk meer bestuurder dan boer. Hij was lange tijd wethouder, had een functie als heemraad bij het Waterschap en was kerkmeester. Via zijn vrouw is hij op de boerderij terechtgekomen, je zou kunnen zeggen dat hij door omstandigheden boer geworden is. Voor zijn trouwen werkte hij als klerk in Sijbekarspel. Veel werk werd gedaan door de knecht. Deze woonde met zijn gezin in een bij de boerderij horend arbeidershuisje. Hij sliep dus niet, zoals de meid vroeger, op de koegang.

Hoe lang hebben uw grootouders op de boerderij gewoond?

In 1918 kwamen zij op nummer 48 te wonen. In 1930 hebben zij de plaats gekocht en in 1958 hebben mijn ouders het bedrijf overgenomen. lk was toen negentien jaar oud. Bij de overname werd er boelhuis gehouden. Alles wat mijn ouders niet konden gebruiken werd geboelest (red: bij opbod openbaar verkocht). Dit trok enorm veel publiek.

Er waren zelfs een koffie- en een patatkraam op afgekomen, business trekt business. Ook het vee werd verkocht, mijn vader nam immers zijn eigen dieren mee. Na de verkoop zijn mijn grootouders in Hoogwoud gaan wonen, in de Breebaartstraat. In 1965 zijn ze naar het Twiskerland verhuisd.

Achterste rij: Louw Glas, Kees Klaver, Trien Glas, Jaap Glas (getrouwd
met Auk Slachter), Auk Slagter, Simon Glas (getrouwd met Alie Appel),
Alie Appel. Voorste rij: Louw Glas Szn, Reier Klaver, Grietje Klaver, 
Jannie Glas (dochter Simon), Laurens Glas Sr (bruidegom), Corrie Glas 
(dochter Jaap), Grietje Glas (bruid), Nel Glas (dochter Simon),
Simon Glas (zoon Simon), Grietje Glas (dochter Simon), Grietje Glas
(dochter Jaap) en Aris Glas (zoon Simon).

Op hun beurt zijn mijn ouders gestopt met boeren in 1979. In 1980 is de boerderij verbouwd tot drie woningen. Mijn man en ik wonen hier sinds ongeveer tien jaar. Na ons trouwen in 1962 zijn we in de Molenstraat in Hoogwoud gaan wonen, daarna in Koedijk. Nu ben ik dus weer terug.

Kunt u iets vertellen over het leven van uw vader?

Mijn vader was eerst arbeider bij opa. In 1935 is hij een andere plaats gaan huren op de Gouwe, in het Laag op nummer 4. Dit is richting Sijbekarspel. Hij begon daar met tien koeien, wat varkens en schapen. In 1940 verhuisden wij naar een nieuw gebouwde boerderij, ook weer op de Gouwe. Hier woont nu de familie Belles. Op deze boerderij had mijn vader veeteelt en akkerbouw, onder andere pootaardappelen, bieten en tarwe. Toen de oorlog afgelopen was, had vader nog maar zes koeien over, dus hij moest weer opnieuw beginnen. Tijdens de bezetting hebben we trouwens een hele drukke tijd meegemaakt: we hadden altijd veel aanloop en eters. Bovendien hadden we tijdelijk twaalf evacues uit Amersfoort. In 1958 zijn wij verhuisd naar de boerderij van opa en opoe Glas. Deze hebben mijn ouders eerst tien jaar gehuurd en daarna gekocht. Vader deed toen niet meer aan akkerbouw. Na de verbouwing in 1980 zijn ze op deze boerderij blijven wonen.

De veestal liep door beide stolpen heen. Op de 'lange regel' waren 28 stallen.

Wat voor taken verrichtte uw moeder?

Ze werkte voornamelijk in huis, daar was genoeg te doen, en had geen eigen taak op het bedrijf, alleen tijdens drukke periodes sprong ze bij, zoals wij allemaal trouwens. Bijvoorbeeld bij het sorteren van pootaardappels. Op andere plaatsen had de vrouw vaak wel een vaste taak, zoals het voeren van het vee of het melken van de koeien. Dit was bij ons niet nodig, ook omdat we een knecht in dienst hadden. Veel tijd besteedde ze aan het maken van kleding. Ze was hier erg goed in en heeft zelfs een opleiding tot coupeuse gevolgd. Kaasmaken, van schapenmelk, en broodbakken deed ze alleen tijdens de oorlog.

Vindt u het niet jammer nooit boerin geweest te zijn, zoals uw “voormoeders”?

Nee hoor. Het is eigenlijk alleen leuk als je veel geld hebt, anders betekent het dat je altijd moet werken en geen vrije tijd hebt. Maar ik ben wel erg blij om terug te zijn op deze plek aan de Gouwe.

Bibliografie:

Jan Pannekeet, het Westfries woordenboek, Stichting Uitgeverij Noord-Holland, 1984

Noten:

(1) Margreet van der Burg en Krista Lievaart, Drie generaties in schort en overall Terugblik op een eeuw vrouwenarbeid in de landbouw, 1998, AKB, Landbouwuniversiteit Wageningen.

 

Website designed and build by Déanluma