Graaf Floris de Vijfde en Hoogwoud

door Bart Knobbe en Louis Groen

Graaf Floris de Vijfde (1254-1296) was pas anderhalf jaar oud toen zijn vader, graaf Willem II (1227-1256), tijdens een poging om Westfriesland te veroveren, het leven verloor. Deze Willem was in 1247 reeds  Rooms-Koning en  zou  in Rome zelfs tot keizer gekroond worden. Zover mocht het echter niet komen. Om zijn prestige op te vijzelen wilde de graaf, voor zijn kroning, de rebellerende Westfriezen nog even verslaan. Op 28 januari vertrok hij met een leger vanuit Alkmaar naar Hoogwoud. Hier kwam de graaf om in de strijd. De Westfriezen hadden in 1256, toen zij te hoop liepen tegen het Hollandse leger bij Hoogwoud, niet goed doordacht dat deze graaf ook Rooms-Koning was. En voor de Friezen was de Rooms-Koning altijd  de  verre  vriend geweest die  zij beschouwden als de laatste verdediger van hun vrijheid.(1) Eerst achteraf bemerkten de strijders wie de eenzame ridder, die zij in een wak hadden doodgeslagen, was.

De  Egmondse  monnik  en  hofschrijver Melis Stoke beschrijft dit in zijn rijmkroniek ± 1300 als volgt:

1572 Wapene! wat hebdi ghedaen? 
Ghi hebt den coninc selve doot.
Doe dreven si alle rouwe groot. 
1575 Het moste bliven, het was ghedaen.
Doe namen si den coninc saen
Ende groevene daert hem got dochte, 
So si alre heimelicst mochten.
In can gheweten noch gheraden, 
1580 Hi wat zaken dat sijt daden;
Maer si groevene onder de moude
In een huis tHoechoutwoude.(2)

 

Tot in 1282 bleef het lichaam van de graaf verborgen achter een stookplaats van een boerderij in Hoogwoud. In zijn kroniek uit 1332 verklaart Willem de Procurator het verbergen van het lijk van de koning: naar Fries gebruik moest tijdens het proces het lichaam, of althans de rechterhand, aanwezig zijn. Afwezigheid hiervan gaf straffeloosheid.(3)

...al zijn de Friezen een erg simpel volk toch waren zij door navragen ervan op de hoogte,  dat  zij  na  hun  moord  op de Rooms-Koning, die ook hun eigen heer was, van majesteitsschennis beschuldigd konden worden. Maar opdat er in zo'n gewichtige zaak een grotere kans op vergetelheid  en op verontschuldiging zou ontstaan als het lichaam niet getoond kon worden, hadden de Friezen onder ede een afspraak gemaakt, dat niemand van hen ooit het lichaam aan het daglicht zou brengen of zou uitleveren. Maar deze plechtige verzekering werd geschonden dankzij de goddelijke liefde en wel door deze Fries tengevolge van zijn angst voor de dood.(4)

Floris verovert Westfriesland

In 1282 besloot Floris de Vijfde de strijd aan te binden met de Westfriezen. Hij hoopte hierbij het stoffelijk overschot van zijn vader te vinden. In de tweede plaats wilde hij het grafelijk gezag in deze regio definitief verwezenlijken. Na geland te zijn bij Wijdenes, heeft Floris de Westfriezen in de slag bij Schellinkhout verslagen. Vervolgens is hij opgetrokken naar Hoogwoud, waar hij, na het dorp geplunderd en verbrand te hebben, het lichaam van zijn vader teguggevonden heeft. Dit op aanwijzing van een oude man die hierom de grafelijke wraak gespaard bleef:

...edel gravekijn
440 Laet mi behouden tleven mijn:
Ic sal doen, du moghest prisen,
Den coninc, dinen vader wisen.
Van deen worde wart hi verblijt
Ende gaf op sijn lijf tier lijt.
445 Doe sprac de Vrese te hem waert:
In dit huys, achter de haert,
So suldi den coninc vinden (5).

En aldus geschiedde. Floris was erg blij het lichaam van zijn vader teruggevonden te hebben, de poging hiertoe was immers zijn voornaamste drijfveer geweest om Westfriesland binnen te trekken. Kort na deze vondst schrijft hij dan ook aan zijn vriend koning Eduard I van Engeland dat hij hetgeen hij het meest begeerde, het lichaam van zijn vader, teruggekregen heeft (6).

Pater Worp van Thabor vermeldt in zijn kroniek uit +/- 1490 dat Floris het huis waar zijn vader gevonden was liet afbreken en daar een kapel ter ere van Maria liet neerzetten (7). Dit is de oudste bron die wij kennen over het bestaan van een Maria-kapel in Hoogwoud. Het gebruik om na de dood van een hoogstaand persoon een kapel op te richten, was in die tijd niet ongewoon. Voor graaf Floris werd, nadat hij vermoord was, nu zeven eeuwen geleden, ook een altaar opgericht. Hier werden missen gelezen voor het zieleheil van de overledene (8).

Floris; 'der keerlen God'

Nog even terug naar 1288. Een jaar waarin West-Friesland geteistert werd door zware stormen en overstromingen (9). Graaf Floris maakte gebruik van deze situatie om de Westfriese bevolking te onderwerpen. Van tegenstand was, door de slechte weersomstandigheden, nauwelijks sprake. In 1289 zijn verscheidene capitulatie-verdragen gesloten, onder andere met de ingezetenen van het Houtwouderambacht. De graaf haalt hierbij niet het onderste uit de kan en verleent de bevolking een keur.

Deze politiek getuigt van gematigheid. Floris was in veel opzichten een figuur van de nieuwe tijd die zorg droeg voor een goed bestuur. Zo zorgde hij ervoor dat er baljuwen werden aangesteld, werkte hij samen met burgers en boeren, hetgeen de edelen ertoe aanzette hem 'der keerlen God' (de god van de boeren) te noemen, en bemoeide hij zich met de welvaart van zijn landen, onder andere door het oprichten van hoogheemraadschappen om de waterhuishouding te regelen (10).

Een sterk geromantiseerde prent van Graaf Floris V.

Noten:

1-Dr. F.W.N. Hugenholtz, Floris V, p.48.

2-Dr. W.G. Brill (ed.) Rijmkroniek van Melis Stoke, p.207.

3-H. Obreen. Floris V graaf van Holland en Zeeland, heer van Friesland, 1256-1296, P. 55.

4-Mr.C. Pijnacker (ed.), Willelmi capellani in Brederode postea monarchi et procuratoris Egmondensis Chronicon, p. 36-38, de vertaling is van drs. A.Uitterhoeve.

5-Dr. W.G. Brill, a.w., p. 231.

6-H. Obreen, a.w., p. 57.

7-Dr. J.G. Ottema (ed.), Worperi Tyaerda ex Renismageest, prioris in Thabor, Chronicorum Frisae libri tres, p. 161-166.

8-K. Sierksma, Liudger Thiadgrimszoon. Leven en voortleven van een Christusprediker (742-809), p. 154-159.

9-Dr. W.G. Brill, a.w., p. 233-234.

10-Dr. H.P.H. Jansen, Geschiedenis van de middeleeuwen, p. 237.

Bibliografie:

Dr. W.G. Brill (ed.), Rijmkroniek van Melis Stoke, Utrecht 1993, HES Uitgevers b.v.,eerste deel.

Dr. F.W.N. Hugenholtz, Floris V, Bussum, 1966, Fibulareeks 20.

Dr. H.P.H. Jansen, Geschiedenis van de middeleeuwen, Utrecht, 1985, Het Spectrum

H. Obreen, Floris V. graaf. van Holland en Zeeland. heer van Friesland. 1256-1296 Gand, 1907.

Dr. J.G. Ottema (ed.), Worperi Tyaerda ex Renismageest, prioris in Thabor, Chronicorum Frisae libri tres, 1847, Leovardiae, Friesch Genootschap.

Mr. C. Pijnacker Hordijk (ed.), Willelmi capellani in Brederode postea monarchi et procuratoris Egmondensis Chronicon, Amsterdam 1904.

K. Sierksma, Liudger Thiadgrimszoon. Leven van een Christus-prediker (742-809), Franeker, 1995, Uitgeverij Van Wijnen.


 

 

Website designed and build by Déanluma