De rijke en de arme Arie Groot en andere boeren in Hoogwoud

Door Martien Hoogland

Zoals vaak gebeurt vormt het leven van je ouders de inspiratiebron voor een duik in de geschiedenis van je geboortedorp. Mijn vader werd in 1905 aan het Groene Wuiver geboren als zoon van tuinder Roen Hoogland en zijn vrouw Anne Niele. Roen bouwde als boerenknecht vanaf de eeuwwisseling een tuindersbedrijf op aan het Groene Wuiver, vlak bij het Noordeinde (de huidige Herenweg ten noorden van de viersprong). Daar woonden ook net de rijkste boeren van Hoogwoud die opvallend vaak de naam Groot droegen. Volgens Adriaan Donker woonden in de 19e eeuw aan het Noordeinde twee boeren die beiden Arie Groot heetten. Op de boerderij van Ursem woonde de 'rijke' Arie Groot, die in totaal zeven boerderijen bezat waaronder de museumboerderij. De 'arme' Arie Groot die toch nog schatrijk was, woonde op de huidige boerderij van Van Berkel. In het kadaster trof ik een ware schat aan gegevens aan over dit boerenbezit. Verder ging ik een aantal oude Hoogwouders en Opmeerders langs die mij nog prachtige verhalen vertelden over het verleden. Dit waren Piet Laan (1895), Cor Kuiper (1900), Klaas Groot (1908) en zijn vrouw Fien Groot (1905), Dirk Jonker (1913), Maria Klaver (1908), Jaap Glas en Piet Langedijk.

De 'rijke' Arie Groot

De "rijke" Arie Groot

Ten eerste ging ik op zoek naar de rijke Arie Groot. Hij bleek bij zijn overlijden in 1868 niet minder dan 144 hectare land te bezitten en een totaal vermogen van 379.835 guldens en 90 cent. Arie was eigenaar van vijf boerderijen aan de Herenweg, namelijk Herenweg 100 (Groot), nr. 98 (Ursem), de Nicolaashoeve nr. 40, nr. 36 (Klaver) en nr. 34 (Vlaar). Verder bezat hij aan de Koningspade boerderij nr. 36 (Simon Groot) en nr. 31, de museumboerderij West-Frisia. Verder bezat hij een boerderij met 24 ha land onder Hoorn. Een deel van dit land bezat hij gezamenlijk met zijn kinderen.

Aan roerend goed bezat Arie:

  • * sieraden ter waarde van f 13.000,-
  • * 2 Russische effecten van 500 zilveren roebels f 1.800,-
  • * 1 effect van 100 pond Sterling f 1.200,-
  • * 3 obligaties van de Hope compagnie f 3.100,-
  • * 11 obligaties van de firma Metalliek te Amsterdam f 12.000,-
  • * en kredieten aan particulieren f 11.000,-

Arie Groot was van goede komaf. Zijn vader Jacob bezat 36 hectare land die alle naar zijn zoon gingen. Verder trouwde Arie met Geertje Conijn, wier vader waarschijnlijk aan Koningspade 3 een boerderij van 33 hectare land bezat (bij velen nog bekend als de boerderij van Dekker, nu Klaver). Arie breidde zijn bezit geleidelijk uit. Tussen 1838 en 1865 kocht hij van welgeteld 23 landbezitters percelen die in grootte varieerden van 0,1 ha tot hele boerderijen van 24 ha. Het land behorende bij de huidige museumboerderij West-Frisia kocht hij bijvoorbeeld tussen 1840 en 1854 van vijf landeigenaren. Dezen woonden in Hoogwoud, Aartswoud, Twisk en Enkhuizen. Arie bracht dit land bijeen tot een bedrijf van 22 ha en liet er in 1857 een stevige boerderij bijbouwen. Arie zette in de jaren vijftig een kroon op zijn werk door nog vijf andere boerderijen te laten bouwen. Alleen Herenweg 98 was van een eerdere datum, namelijk van omstreeks 1750.

De 'arme' Arie Groot

De 'arme' Arie Groot bleek op de huidige boerderij van Van Berkel, Herenweg 104, te wonen. Bij zijn overlijden in 1880 bezat hij 110 hectare land en een geschat vermogen van f 350.000,-.

Arie bezat:

* in Opmeer: Pade 22 (vh Kaatee, nu Hoebe)

* in Hoogwoud: 

  • Herenweg 8 (Van Diepen)
  • Herenweg 94 (nu tuinderij Hoogland, het pand werd trouwens omstreeks 1933 gebouwd voor Wout Hoogland)
  • Herenweg 104 (Van Berkel) en
  • Herenweg 105 (De Jong)

* in Aartswoud: Schoolstraat 11 (Schouten)

Arie erfde het gehele bezit van zijn vader, groot 35 hectare, gelegen bij de boerderijen van Van Berkel en van Schouten in Aartswoud. Van zijn schoonvader Jan Schilder erfde hij 23 hectare, aan Herenweg 105 (nu De Jong), van de in totaal 49 hectare land die Schilder bezat. De arme Arie had dus een betere start dan de rijke Arie. Zijn overige bezit kocht hij in zes keer, te beginnen in 1841. In dat jaar kocht hij 4 ha van J. Koorn, burgemeester van Hoogwoud. Zijn laatste aankoop dateerde van 1872. Arie kocht zijn bezit in grote stukken. Zo kocht hij in 1848 de hele boerderij (Opmeerder) Pade 22 (Kaatee) van M. de Goede.

Dirk Appel

Een derde grote boer was Dirk Appel. Hij bezat bij zijn overlijden in 1875 58 ha land, ingeklemd tussen de Koningspade en de Westerboekelweg. De Appelhof aan de Westerboekelweg 18 is trouwens nog steeds in het bezit van een Appel. Verder bezat Dirk land gelegen bij Herenweg 76 (nu Deken) en Herenweg 82 (Rooker). Dirk was van gegoede komaf. Vader Arien bezat 60 ha land, die verdeeld werden over zijn vier kinderen. Zoon Dirk kon zijn bezit opbouwen mede door zijn huwelijk met Maartje Zee uit Opmeer die 40 ha bezat. Het echtpaar bezat dus in totaal bijna honderd ha land. Ook Dirk Appel kocht zijn land van vele kleine landbezitters. Zijn eerste perceel, groot 6 ha, kocht hij in 1837 van een grote boer, maar hij kocht ook vele percelen van burgers, zoals timmelieden, bakkers, herbergiers, etc.

Dirk bezat ook roerende goederen namelijk:

  • een obligatie van het keizerrijk Rusland ter waarde van f 1.000,-
  • drie obligaties van het koninkrijk Spanje van 1000 peseta's en
  • een obligatie van 5.000 peseta's.
  • een obligatie van het koninkrijk Portugal ter waarde van f 1.200,-
  • een obligatie in de firma Metalliek van f 1.000,-
  • en aandelen in het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam.

Daarnaast had Appel nog f 50.000,- uitstaan bij in totaal 25 schuldenaren. Het ging om de waarde van ongeveer twintig hectare land, die in 1995 een waarde van zeker f 800.000,- gulden zouden hebben!!

  • aan zijn (schoon)zonen in totaal f 10.900,-
  • aan de Hoogwoudse notaris C. Warnsinck f 2.000,-
  • aan notaris C. Donker uit Benningbroek f 200,- en aan 15 andere particulieren in totaal f 22.680,-.

Op een bank in Barsingerhorn had Dirk nog f 16.000,- staan en op de Westfriesche Crediet- en hypotheekbank in Hoorn f 600,-.

Hoe komt het?

Diverse keren is de vraag gesteld hoe deze boeren aan al dat geld kwamen. Een eerste verklaring is hun huwelijkspolitiek: een goede huwelijkspartner en kleine gezinnen. De beide Grootten waren enig kind en trouwden een goede partij. Hun start was dus goed. Toch is het geen volledige verklaring. Vooral de rijke Arie Groot bezat veel meer land dan zijn vader en schoonvader samen. Adriaan Donker vertelde me dat de rijke Arie geld leende van de andere Groot en zo zijn zeven boerderijen bij elkaar kocht. De rijke Arie nam dus meer risico en kwam dus verder. Dit gegeven klopt met het feit dat de arme Arie eigenlijk van betere komaf was, daar zijn schoonvader J. Schilder met 49 ha een grote boer was.

Belangrijk is verder dat de veehouderij tussen 1840 en 1880 een gouden tijd beleefde. De industriele revolutie zorgde voor een omvangrijke vraag naar zuivelprodukten, waardoor prijzen voor kaas en boter ongekend hoog waren. Nu konden de Westfriese boeren daar bij uitstek van profiteren.  Met  hun  goed  ingerichte bedrijven konden ze via de Alkmaarse kaasmarkt   belangrijke   markten   als London goed bedienen. Het gevolg was dat boeren met land snel rijker werden. Onder deze omstandigheden was het dan ook gunstig om met geleend geld land te kopen, zoals Arie Groot had gedaan, aangezien  dat  steeds  meer  waard  werd. Landprijzen stegen van minder dan 1500 tot bijna 3000 gulden per hectare. Grote boeren kochten land van kleine bezitters. Het ging hier relatief vaak om burgers.

Zo kocht Arie Groot:

  • * in 1838 17 ha van G. Stokman, een winkelier uit Hoogwoud,
  • * in 1840 2,5  ha  van  J.  Pool  uit Enkhuizen,
  • * in 1844 3 ha van de azijnmakers A. en J. Goezinne uit Haarlem,
  • * in 1847 3 ha van notaris P. Levert uit Hoogwoud en
  • * in 1863 13 ha van meester F. Pont en zijn vrouw M. Jade Vicq uit Hoorn.

Het landbezit van stedelingen nam tussen 1840 en 1880 af. Omstreeks 1840 bezaten zij nog diverse stukken land in Hoogwoud, zoals:

* L. Stokbroo bezat 28 ha land aan de Herenweg in Hoogwoud. Zijn vrouw A. van Straten was mede-eigenaar. Stokbroo was tevens heer van Aartswoud en Hoogwoud en kantonrechter te Hoorn. Hij was trouwens de twee-na-laatste met heerlijke rechten in Hoogwoud.

* De Horinees Ant. van Straten bezat 32 ha land behorende bij Koningspade 23 (Beerepoot).

* De Hoornse meester F. Pont en zijn vrouw M. J. de Vicq kochten in 1850 13 ha land behorende bij Herenweg 40.

* De Hoogwoudse noteris P. Levert bezat in Hoogwoud en Aartswoud 18 ha land, maar ook dit bezit nam omstreeks 1850 sterk af. In 1880 bezaten drie stedelingen in totaal nog maar 24 ha in het gebied, voornamelijk gelegen bij Herenweg 46 en 54.

Periode 1880 - 1895: landbouwcrisis en het boerenbezit

Aan de periode van agrarische welvaart kwam omstreeks 1880 een einde. De komst van de stoomboot en de trein zorgde voor een goedkoop aanbod van graan en zuivel op de Europese markten. De Nederlandse boer ondervond ook geduchte concurrentie van Denemarken, zodat de prijzen van boter en kaas na 1880 kelderden. Dit was vooral van belang voor beginnende boeren die met geleend geld hun erfdeel hadden gekocht. Ook boeren die boven hun stand leefden werden hard getroffen. Vaak moesten ze hun land verkopen, zoals bijvoorbeeld gebeurde met de opa's van Piet Laan en Piet Langedijk. Stedelingen profiteerden van de lage prijzen in deze crisisjaren door land te kopen en dit te verhuren. Deze 'heerschapsplaatsen' werden weer verkocht wanneer de
landprijzen weer hoger waren.

Een goede illustratie van de gevolgen van de crisis wordt gevormd door de negen erfgenamen van burgemeester DIRK APPEL. Drie van hen kwamen in financiele moeilijkheden:

* Zoon A. Appel erfde 15 ha land, behorende bij Koningspade 14 (Zee) en leende daarvoor via notaris De Boer f. 30.000,- bij de Hollandse Societeit van Levensverzekeringen. Arie was niet in staat om deze lening terug te betalen waarna het land in 1882 openbaar werd verkocht. Enkele boeren waaronder ene Wester en Jan Groot Ariezoon kochten het land. In de twintigste eeuw kwam het land terecht bij A. Zee en zijn zoon Zee en uiteindelijk bij J. Rens, Koningspade 12.

* Zoon B.Z. Appel bezat 16 ha land, gelegen bij Herenweg 76 (Deken). Appel leende in 1886 via het Hoogwoudse schoolhoofd f. 3.300,- van de Nationale Hypotheekbank gevestigd in Amsterdam. In hetzelfde jaar leende hij f 2.500,- van de hoornse S.G. Hennequin en haar echtgenoot, de 'hoogstweledelgeboren' jonkheer L.D. Meier. In 1887 leende Appel f 500,- bij notaris P.L. Lau uit De Rijp. Na zijn overlijden in 1888 werd het land verkocht aan notaris Donker uit Benningbroek (3 ha, behorende bij Deken), de Hoogwoudse predikant R.E. Wieringa (5 ha) en 6 ha aan enkele strijkgeldhaalders. Deze verkochten het land uiteindelijk aan de broodbakker G. Bijman op Herenweg 78. Deze zou er een boerderij bouwen die in 1924 verkocht werd aan Jac de Jong.

* Schoonzoon Jac Rooker bezat 23 ha land behorende bij Herenweg 82. Jac. erfde 12 ha van zijn schoonvader Dirk Appel en 6 ha van zijn vader Rooker, die op Herenweg 87 (Zorgwijk) boerde. Bij zijn overlijden in 1887 bezat Jac f. 40.000 aan land, f 5200 aan roerend goed en f 8000 aan kredieten.

Aan schulden had hij echter:

  • * f 14.000,- bij de Utrechtse Waarborg en Verzekeringsmij,
  • * f 21.700,- bij de Rotterdamse Hypotheekbank,
  • * f 1.200,- bij meester Van der Hoeven uit Alkmaar,
  • * f 1.300,- bij Braakman uit de Haarlemmermeer,
  • * f  2.400,- bij Schoenmaker uit Hoogwoud, 
  • * f 1.200,- bij Dirkmaet uit Opmeer,
  • * f 1.100,- bij Kogelberg uit Hoogwoud
  • * f 1.000,- bij notaris Warnsinck en
  • * f 400,- bij burgemeester Pijper uit Hoogwoud.

Rooker was dus nauwelijks eigenaar van de boerderij. Zijn weduwe Elisabeth Appel hertrouwde met burgemeester Pijper, zodat ze toch van een goede oude dag verzekerd was. De boerderij kwam in handen van zoon Jac die de boerderij in 1921 verkocht aan zoon Dirk. Deze liet in 1945 in totaal 25 hectare land na, gelegen bij Herenweg 82 en 74 en bij Koningspade 21.

De kinderen van de rijke Arie Groot

De  landbouwcrisis  had  dus  duidelijke gevolgen voor sommige boeren. De kinderen van de RIJKE Arie Groot hadden er echter weinig last van. Ze kochten zelfs nog land bij, alhoewel zeker niet zoveel als hun vader. Ze waren allen de trotse bezitter van een of twee boerderijen. Voor hun kleinkinderen lag dit al anders. Ze groeiden op in een groot gezin waardoor onmogelijk alle kinderen een boerderij konden krijgen. Dit gold vooral voor de katholieken die vaak een groter gezin hadden dan de protestanten. Het standshuwelijk,  waarbij  goed  naar  afkomst  werd gekeken, was bij hen dan ook veel sterker ontwikkeld. Diverse boerderijen gingen over in handen van koopkrachtige zwagers, of werden zelfs verkocht aan vreemden. Dit gebeurde zeker waar ze als hereboer leefden.

* Piet Groot overleed al op jonge leeftijd. Zijn weduwe Maartje Groot en hun kinderen Geertje en Piet ontvingen een erfdeel in geld. Piet zou later met een dochter van de schatrijke J. Reuzenaar trouwen en Herenweg 44 bewonen.

* Klaas Groot erfde 45 ha. namelijk Herenweg 100 (Groot) en Koningspade 36 (thans F. Appel). Hij liet bij zijn overlijden in 1873 56 ha na aan zijn vrouw A. Huibers en hun zes kinderen. Na haar overlijden in 1878 erfde zoon Piet Herenweg 100 waar 16 ha land bijlag. Schoonzoon Jan Reuzenaar kocht Koningspade 36 (21 ha), terwijl schoonzoon C. Laan uit Opmeer aan de Koningspade een perceel land kocht, waar nu de tuinderij van Bakker is gevestigd, nr. 33.

Boerderij van K. Groot van de Herenweg 100.

Herenweg 100 ging over van Piet Groot Klzn op zoon Klaas, die betamelijk Klaas Groot 'de boer' werd genoemd. Klaas kocht in 1947 van N. Reuzenaar nog de helft van Koningspade 36 om zijn kinderen Simon en Theo van een boerderij te voorzien. Zoon Nic kwam op Herenweg 100.

Klaas Groot was een goede kennis van Roen Hoogland. Zoon Nic Groot vertelde me eens dat Roen aan het begin van deze eeuw nog het gras van zijn vader maaide. Dit gebeurde nog met de zeis. Toen Klaas tijdens de Eerste Wereldoorlog een maaimachine kocht, was Roen zijn werk kwijt. Hij protesteerde dan ook: 'Groot dit gaat verkeerd, die machine trekt het gras uit de grond'. Dit bleek mee te vallen. Roen liet later zelfs het gras van zijn weide maaien met de machine van Klaas.

Klaas Groot was ook een van de steunpilaren van het VEEFONDS van Hoogwoud. Dit was een onderlinge veeverzekering waaraan de boeren en tuinders van Hoogwoud, De Langereis, De Gouwe, Aartswoud en De Weere konden deelnemen. Bij sterfte van vee kreeg de bezitter een behoorlijk deel van de waarde uitgekeerd. Klaas Groot was keurmeester voor de regio Hoogwoud, terwijl hij in 1922 Aartswoud erbij nam. Deze functie zou hij tot 1956 vervullen. Voorzitters van het fonds waren D. en vanaf 1915 C. Pijper, terwijl in 1932 Louw Glas van de Gouwe de voorzittershamer overnam. Secretaris was C. Schilder, die in 1918 twee cent per stuks vee kreeg voor zijn werk. Het fonds telde in 1912 28 leden en in 1919 al 39. Alle leden hadden tijdens vergaderingen een gelijk stemrecht, ongeacht hun veebezit. Leden betaalden aan het begin van elk jaar een bedrag per stuks verzekerd vee. Kwam het fonds aan het einde van het jaar tekort dan volgde een naheffing. Afgekeurd vee werd aanvankelijk verkocht aan plaatselijke slagers en vanaf 1912 op de markt in Purmerend. Dat leverde meer op.

De inkomsten en uitgaven van het fonds wisselden. In 1911 ontving men 1500 gulden en keerde men voor 1200 gulden uit, bestemd voor elf stuks afgekeurd vee. In 1919 werd er voor 4200 gulden uitgekeerd, maar de uitkering per koe was toen 300 gulden per koe, wat abnormaal veel was. In de jaren twintig namen de uitkeringen van het fonds toe. In 1925 ging het al om 13.000 gulden. Leden vroegen daarom een strengere controle op het vee. 1929 was weer een slecht jaar voor het fonds. Diverse leden met in totaal 200 stuks vee trokken zich daarom terug.

Het fonds was er  minder voor de grote boeren, zoals de Klavers. Zij waren volgens Klaas Klaver van Zorgwijk zgn 'wilde' boeren die zelf het risico van veesterfte konden dragen. Ook Piet Laan verzekerde zich niet omdat hij van veearts Hil Koelemey had gehoord dat tuinders zijn adviezen niet opvolgden. Tuinders zaten vaak wel in het fonds omdat ze het risico van veesterfte niet zelf konden dragen. In 1913 staat in de notulen vermeld dat: 'de kleine veehouder al lid zou zijn'. De vraag werd herhaaldelijk gesteld of het vee dat tuinders in de herfst kochten en in het voorjaar verkochten wel in het fonds moest. Deze 'opzetters' werden gehouden voor de melk, de mest of de mesterij.

Vanaf 1936 ging het ledental weer vooruit. Diverse veebezitters wilden zich in deze slechte tijden verzekeren tegen het verlies van vee. Aan de andere kant waren er ook veebezitters die zelfs het geld niet hadden om hun vee te verzekeren. In 1939 zou het goed gaan met het fonds: ‘we kunnen concurreren met andere verenigingen’ staat in de notulen te lezen. De omslag per koe bedroeg dat jaar f 4,50. Na de oorlog zette de groei door. In 1960 had men 83 leden met in totaal 980 koeien en 280 hokkelingen.

Dochter Neeltje Groot erfde Herenweg 98 met 30 ha land. Haar man Jacob Vlaar kocht in 1870 nog 8 ha land aan De Gouwe en in 1871 28,5 ha van Koningspade 23 (nu Beerepoot en Blauw) van J. Sijp. Bij het overlijden van Vlaar in 1891 bezat het echtpaar 70 ha land. Daarnaast stond op grote schaal geld uit: f 10.000,- aan een boer uit Midwoud, f 1.000,- aan een smid in Onderdijk, f 1.500,- aan een bouwer uit Berkhout, etc. Neeltje Groot kocht na het overlijden van haar man nog 3 ha land en liet bij haar overlijden in 1909 73 ha land na. In het dagboek van Olfert Schermer, kroegbaas van Café De Hoop, staat te lezen dat ‘de rijkste vrouw van Hoogwoud was overleden’. Neeltje had al in 1880 een testament gemaakt, waarin zij een deel van haar bezit vergaf. Het kerk- en armbestuur van de Sint Jan de Doperkerk kreeg niet minder dan f 17.000,- terwijl daarnaast nog f 3.000,- voor haar begrafenis werd gereserveerd. Verder werd haar favoriete nicht Neeltje Groot Klzn bedeeld met f 20.000,-. De overige kinderen van haar broer Klaas kregen elk f 10.000,- en andere familieleden in totaal f 6.000,-. Neeltje Groot had geen kinderen. Toch waren er acht erfgenamen. Koningspade 23 kwam in handen van de landman J. Molenaar uit Hoorn. Een behoorlijk deel van het bezit van Neeltje Groot kwam terecht bij haar lievelingsnicht Neeltje Groot Klzn. Deze trouwde met Cees Ursem en kwam in 1909 op Herenweg 98. Het echtpaar kreeg het vruchtgebruik van een behoorlijk deel van de erfenis van de overleden Neeltje Groot. Ursem kon daarom het landbezit behoorlijk uitbreiden. Hij kocht in 1915 8 ha (later Cor Klaver, Herenweg 9). Bij het overlijden van zijn vrouw Neeltje Groot in 1931 bezaten zij verder nog 7 ha in Opmeer, 4 ha in Obdam, 21 ha in Oudorp en 14 ha in de Wogmeer. Na het overlijden van Cees Ursem viel het bezit uit elkaar. Zoon Klaas erfde slechts Herenweg 98 met 28 ha land.

Rechts ziet u de boerderij van Klaas Ursem Herenweg 98.

Ursem was een echte hereboer, in de traditie van het Noord-einde. Hij hield een draver net als de buren Dirk Aartman, Klaas Hoek en Jaap Groot. Dit was een dure bezigheid die geld en tijd kostte. Men bezocht draverijen en tentoonstellingen en verder de paardenmarkten van heel Nederland. Cees was een echte handelaar. Hij hield geen melkkoeien, maar was wel de grootste vetweider uit deze omgeving. Dit was typisch een bezigheid voor boeren met veel geld, veel land en weinig arbeidskrachten. Ursem had maar een knecht, namelijk Rikus Kayer sr. Elk voorjaar kocht Ursem zo’n 200 magere koeien in Purmerend of Leeuwarden. De koeien werden in het laatste geval met de boot naar Hoorn gebracht en vandaar met de stoomtram naar de Koningspade in Hoogwoud. De koeien liepen een paar maanden op zijn land tot ze vet waren, waarna ze verkocht werden op de slachtveemarkt van Purmerend. Ze werden er door de tuinderszoontjes van de buren lopend heen gebracht. De Roenzonen vertrokken dan al om drie uur ’s ochtends. Ursem stopte volgens het dagboek van Olfert Schermer in 1936 met het vetweiden van vee.

Het café van Olfert Schermer waar vele openbare verkopingen werden gehouden.

Ursem leende ook op behoorlijke schaal geld aan particulieren. Hij vroeg hiervoor twee procent boven de rente van de boerenleenbank, die ongeveer vier procent bedroeg. Ook buurman Teun Groot leende voor  de  opbouw  van  zijn  bedrijf  bij Ursem,  aldus zoon  Klaas: ‘vader vertrouwde Ursem en het lenen ging gemakkelijk: je ondertekende alleen maar een papiertje en het ging een stuk gemakkelijker dan  lenen  bij  de boerenleenbank'. Teun kocht in 1913 van zijn vader de boerderij Hagedoom en 0.8 hectare land. In 1916  kocht  hij  nog 0.9  ha  land  van Zorgwijk en in 1918 nog eens 0.8 ha van zijn vader. In 1926 kocht Teun 1.9 ha land van Cees Ursem. Dit was zijn bouw land dat echter zo vuil was geworden dat het voor Ursem moeilijk meer te gebruiken was. Teun kocht toen tevens de dorsmolen van Ursem. In al deze gevallen kwam het geld van Ursem.

Toen Klaas een jaar of 21 was, zagen hij en broer Pauw het onrechtvaardige van dit rentepercentage in en drongen er bij hun vader op aan om elders te lenen. Teun ging voor zijn laatste aankoop naar de boerenleenbank, alhoewel dit als tuinder zeker niet gemakkelijk was. In 1929 kocht hij 3.9 ha land van J. Eeken, die dit in 1916 had gekocht van Zorgwijk en er toen tevens een boerderij had laten bouwen. Het  land  moest  bijna 15.000  gulden opbrengen, wat een fors bedrag was. Teun zei dan ook tegen zijn kinderen dat het land alleen gekocht kon worden, wanneer ze er volledig achter stonden. Teun had echter onvoldoende geld om ook de boerderij te kopen, zodat deze bij Henk Dam terecht kwam. ‘Zonde', aldus Klaas omdat de uit de 17de eeuw daterende boerderij Hagedoorn eigenlijk een bouwval was. Het bedrijf van Teun was echter wel zo groot dat Klaas, Floor en Wim elk met een behoorlijk stuk grond  konden beginnen.

Teun leende ook geld voor de aankoop van vee. Hij had eerst een paar koeien vast op stal en kocht in de herfst nog opzetters, die hij voerde met wortelenafval en pinksternakelen van zijn bouw. Verder hooide Teun onder andere de walkanten van de tramlijn, terwijl hij later nog 1 hectare pinksternakelland  huurde van schelpenboer T. Koeten uit Aartswoud. Na de koop van 3.9 ha weiland in 1929 had hij uiteindelijk wel 12 stuks vee vast op stal staan, terwijl hij in het najaar soms nog wel acht opzetters kocht. Hij verkocht deze opzetters in het voorjaar met maximaal een paar tientjes winst. Ursem kocht trouwens in het begin ook het vee voor Teun.

Ursem leende volgens Klaas ook aan een kleine tuinder op De Gouwe. Dit ging echter verkeerd zodat Ursem een strop had. Ursem leende volgens Piet Laan in 1917 ook geld aan zijn vader voor de aankoop van het land van molenaar Groen aan de Lage Hoek. Hier zou Piet vanaf 1927 gaan boeren. Ursem leende volgens Dirk Jonker in 1919 en 1925 ook geld aan vader Jonker en diens broer Kees voor de koop van een boot. Ursem deed dit met twee andere boeren. Nadat een van hen overleed, werd de lening ondergebracht bij de boerenleenbank. Vader Jonker was eerst molenaarsknecht bij Appelman in de Zuidermeer, terwijl broer Kees knecht was bij schipper Romar uit Opmeer. Ze kochten een veertigtonner en een vijftig-tonner, genaamd Divera Maria 1 en 2, naar de vrouwen van beide eigenaren.

Jan  Groot erfde 44 ha, namelijk Koningspade 31 (museumboerderij) en Herenweg 40. Jan kocht zelf nog 14 ha en liet bij zijn overlijden in 1887 58 ha na aan zijn weduwe Trijn Entius. Zij had negen kinderen. Dieuw trouwde met J. Koopman, burgemeester van Wervershoof, en Nelie met Cees Schilder. Hij boerde eerst op de museumboerderij en vanaf ongeveer 1900 op de Nicolaashoeve aan Herenweg 40.

De Nicolaashoeve aan Herenweg 40.

Schilder was een sociale boer. Bij zijn komst in Hoogwoud verhoogde hij het loon voor vast personeel van 8 naar 10 cent per uur. Hij schafte ook het gebruik af dat het personeel moest betalen voor de sneden brood die ze 's ochtends van de boer kregen. De loonsverhoging leidde tot enige opschudding bij de overige boeren: ‘Schilder wat doe je nu, nu moeten wij het ook betalen'. Piet Laan, geboren in 1895 herinnerde zich dat Dirk Wijnker nog lang 8 cent in het uur betaalde. Schilder was in Hoogwoud een van de weinige katholieken met een middelbare schoolopleiding. Deze had hij genoten bij de broeders in Oudenbosch. Schilder wilde sterrenkundige worden, maar dat zat er niet in. Hij had in het dorp vele bestuurlijke functies. Zo was hij, met N. Laan en D. Wijnker, oprichter van de katholieke boerenleenbank en tussen 1910 en 1945 wethouder van Hoogwoud.

Na het overlijden van de weduwe Groot-Entius in 1904 werd haar bezit openbaar verkocht. Geen van de kinderen was in staat om de hoeve 'West-Frisia' te kopen, zodat deze in handen kwam van C. Donker.

Schoonzoon Cees Schilder wilde Herenweg 48 (18 ha) kopen. Dit lukte echter niet. Hij kocht alleen de tien ha gelegen voor de boerderij. Buurman Piet Groot wilde een perceel van 4,5 ha hebben om Herenweg 48 uit te breiden, maar hij moest  opbieden  tegen  buurman  Cees Klaver, die het pleit won en het 'nieuwe stik' aan Herenweg 36 toevoegde. Verder kochten  strijkgeldhaalders  het  overige achter de boerderij gelegen land. Ze verkochten dit uiteindelijk aan de veehandelaren Darn en Mulder en aan tuinder Klomp van de Oosterboekelweg.

Jacob Groot erfde 38 ha, namelijk Herenweg 34 en 36. Hij kocht in 1875 en 1882 nog eens in totaal 23 ha land en liet bij zijn overlijden in 1900 in totaal 60 ha land na aan zijn vier kinderen. Herenweg 34 kwam in handen van zoon Arie Groot, die deze boerderij van 14 ha uiteindelijk verkocht aan Cor Vlaar.

Herenweg 36 kwam voor de helft in handen van schoonzoon Cees Klaver. Cees was een van de twee kinderen van Willem Klaver uit Sijbekarspel, die bij zijn overlijden in 1885 53 ha land naliet. Cees erfde in ieder geval een boerderij in De Weere aan de Oosterboekelweg 27 (Bijman). Verder kocht hij, naast Zorgwijk en een mij onbekende boerderij, nog een boerderij onder Alkmaar en in 1925 een boerderij in Barsingerhorn, bestemd voor zijn jongste zoon Nicolaas. Klaver was verreweg de rijkste boer in Hoogwoud.

De kinderen van de arme Arie Groot

De ARME Arie Groot liet bij zijn overlijden in 1880 110 ha land na aan zijn vier kinderen.

Zoon Arie Groot jr erfde Herenweg 104 (27 ha) en had zelf in 1878 al Breestraat 13 (Van Diepen) gekocht. Arie jr kocht geen land meer en liet zijn 40 ha na aan zijn vier kinderen. Van hen trouwde alleen Arie, en wel met Alie van Berkel uit Wadway.

De boerderij van de "arme" Arie Groot, Herenweg 104.

Arie hield er een conservatieve bedrijfsvoering op na. Een ierkelder was er niet, zodat de ier zo de sloot inliep en het water zag bruin tot aan De Gouwe herinnerde Klaas Groot zich, die er in 1937 en 1938 werkman was. Kunstmest werd niet gebruikt en het vee werd nauwelijks bijgevoerd, meer dan een paar koeken in de winter kregen ze niet. De ruim twintig melkkoeien gaven in mei niet meer dan 3.5 bussen melk en in de winter niet meer dan een. In het voorjaar werden wel een dikke honderd schapen gekocht voor de vetweiderij. Er werd heel weinig van het land gehaald, men rentenierde, meer niet.

Fien (de vrouw van Klaas Groot) was tussen 1924 en 1929 als inwonende meid in dienst bij Arie Groot. Het loon hield niet over, namelijk van 3,5 gulden per week in het eerste jaar tot vijf gulden per week in het laatste jaar. Er was natuurlijk wel een pronkkamer waar de mooie spullen van de familie stonden. Het was het beste van het beste. De muren waren versierd met 32 Delftsblauwe borden. In een hoekkast stond het porseleinenservies, 24-delig, van het dure merk Wedgewood uit Engeland. Het ging om een hele verzameling platte en diepe borden. soep- en dessertborden, vlees- en dekschalen, groente-schalen etc. Verder stond er een enorme pronkkast voor de sieraden. Zelfs de handvatten van de kast waren van zilver. Verder was er een set van 36 zilveren lepels en vorken, een drankfles met een zilveren voet en een zilveren knop op de fles, etc. Een paar keer per jaar poetste Fien en de  naaister deze sieraden. Ze waren ongeveer twee dagen met dit karwei bezig. Groot hield ook nog theevisites die om twee uur begonnen. Men begon met thee met iets lekkers, zoals bruidssuiker, gepresenteerd van kristallen schalen met zilveren handgrepen. Daarna volgde een borrel  uit kristallen glazen. Vervolgens was er koffie met koek zoals bokkepootjes of botersprits, gekocht bij een banketbakker uit Hoorn. Omstreeks zes uur werd een uitgebreide broodmaaltijd opgediend. Het ging om tulband, puntbrood, krentenbrood, twee rollades, ham, rookvlees. De gasten vertrokken om tien uur 's avonds. De vrouwen gaven dan een fooi, en wel een kwartje per echtpaar.

Verder waren er gastdagen die al om half tien 's morgen  begonnen. De gasten waren traditioneel gekleed. De vrouwen nog in het zwart met de oorijzers op. De gasten dronken koffie uit porseleinen serviesgoed. Verder was er gebak dat meestal gekocht was bij een goede banketbakker uit Hoorn. Tussen elf en twaalf uur werd een borrel gedronken, jenever of boerenjongens voor de heren en advocaat voor de dames. Rond half één werd een eenvoudige maaltijd geserveerd bestaande uit soep met brood. Na de maaltijd maakten de heren bij goed weer een wandeling in het land. Daarna trokken ze zich terug om sigaren te roken uit vorstelijke kisten waar wel 50 of 100 stuks in zaten. Omstreeks drie uur werd weer koffie gedronken met iets lekkers erbij. Om zes uur volgde een uitgebreide warme maaltijd, bestaande uit aardappelen, drie soorten groenten en drie soorten vlees zoals biefstuk, karbonade en rollade. De maaltijd werd besloten met pudding. Na afloop van de maaltijd volgde weer koffie en omstreeks half negen vertrok men weer. Fien ontving van elk
echtpaar een fooi. Deze werd gegeven door de mannen.

Dat een gastdag nog beter gehouden kon worden bleek bij haar volgende baas. Fien vertrok in 1929 naar Klaas Ruiter uit Hauwert waar ze negen gulden ging verdienen. Ruiter was niet de eerste de beste. Hij was een topfokker die zelfs kopers uit het buitenland op zijn erf kreeg. Bij een gastdag nam Fien de kleding van de gasten aan. De heren droegen hoge hoeden met hun initialen erin. Fien bediende de gasten volgens de regels, met een mooi wit schort voor, terwijl ze links van de gasten moest staan. De gastdag duurde langer dan bij Groot. Tussen tien en twaalf uur werd nog een borrel geserveerd. De avond werd besloten met brood. Aan het einde van de dag kreeg ze een fooi van wel een gulden per echtpaar. Soms was de fooi meer dan haar weekloon. Ruiter had trouwens niet zulke mooie spullen als Groot. Het serviesgoed was bijvoorbeeld slechts van  het  merk  Regout.  Het  was  wel gekocht in een deftige zaak in Hoorn waar Fien heenging als er iets vervangen moest worden.

Arie Groot kwam in de jaren veertig op leeftijd en wilde de boerderij Breestraat 13 aan het armbestuur van de Sint Jan de Doperkerk geven. Hij stelde volgens Dirk Jonker echter een aantal  voorwaarden. Boeren bestelden bijvoorbeeld tot in de eeuwigheid heilige missen voor hun zieleheil. Het armbestuur wilde de voorwaarden van Arie echter niet accepteren. Hij gaf daarop de helft van de boerderij aan het armbestuur van de kerk in Spierdijk. Dirk Jonker was in 1945 de eerste arbeider in het armbestuur van de Sint Jan de Doperkerk.

Dochter Trijn Groot erfde een deel van Schoolstraat 11  (Schouten) en trouwde met Jan Wiering uit Zwaagdijk. Wiering was een rijke boer die in 1897 overleed. Uit zijn testament bleek dat hij niet minder dan 70.000 gulden had uitstaan bij twintig mensen. Hij liet zijn deel in Schoolstraat 11 na aan zijn dochter Maartje die met P. Groot Jaczn trouwde. Maartje bezat bij haar overlijden in 1925 36 ha land. Aartswoud kwam terecht bij haar zoon Jaap Groot. Deze leefde in de traditie van de boeren van het Noordeinde, ging de voordam uit, kocht sierpaardjes en ging failliet. De boerderij kwam terecht bij zwager C. Schouten.

Dochter Maartje Groot trouwde eerst met Piet Groot en daarna met P. de Jong. Maartje erfde 40 ha land bestaande uit Herenweg 105 (De Jong, 23 ha) en Herenweg 8 (Van  Diepen, 12 ha) en Herenweg 98 (4.5 ha), nu behorende bij de tuinderij van M. Hoogland. Na haar overlijden in 1916 werd Herenweg 8 verkocht aan schoonzoon Dirk van Diepen uit Wognum, terwijl tuinder Roen Hoogland het land achter Herenweg 98 kocht. Zoon Jacob de Jong erfde Herenweg 105 terwijl schoonzoon Dirk Wijnker een erfdeel in geld kreeg.

Andere boeren aan de Herenweg waren:

Herenweg 90 (nu Ruiter) was bezit van Cornelis Sijp die bij zijn overlijden in 1891 42 ha land bezat. Dit strekte zich uit tot aan de Koningspade (achter de tuinderij Groot). Dit land werd bewerkt vanuit de boerderij Hagedoorn. Cornelis was een van de zes kinderen en moest daarom behoorlijk lenen om zijn bezit op te bouwen. Hij kocht Herenweg 96 met 22 ha in 1869, 10 ha in 1873 en 5 ha in 1882. Cornelis leende in 1883 f. 29.000,- van E. Koch uit Amsterdam. In 1886 was hij zelfs f. 57.000,- schuldig aan de Amsterdamse Hypotheekbank, terwijl hij in datzelfde jaar nog f. 10.000,- leende bij een familielid. Zijn bezit werd in 1891 openbaar verkocht:

* Herenweg 90 kwam in handen van J.Sijp uit Berkhout. Deze verhuurde de boerderij eerst  aan de gebroeders Eeken en later aan Klaas Hoek. Uiteindelijk huurde Ruiter de plaats.

* Notaris Donker uit Benningbroek kocht 9 ha land dat in 1907 werd gekocht door P. Deken. Donker was toen al verhuisd naar Bloemendaal en zat zelfs in de Eerste Kamer.

* L. Sijp kocht 2.5 ha land die in 1903 verkocht werden aan de bouwer J. Spaander. Later kocht tuinder N. Koning dit land.

* Klaas Groot kocht 2 ha land, evenals de boerderij Hagedoorn en begon er een tuinbouwbedrijf. Klaas was de eerste tuinder aan het Noordeinde en tevens de stamvader van de huidige Grootten. Klaas had een paar koeien op stal en kocht er in de winter nog een paar opzetters bij. De melk ging eerst naar de gebroeders Eeken, die er trouwens niet te veel voor gaven. Vanaf de eeuwwisseling ging de melk naar het kaasfabriekje aan De Gouwe dat toen net gebouwd was. Deze kleine fabriekjes betekenden een duidelijke verbetering voor de tuinders, omdat ze een betere prijs voor hun melk kregen. Zijn drie
zonen Teun, Klaas en Jan, gingen eerst te werk alvorens een eigen bedrijf te beginnen. Zoon Teun werkte eerst voor Gert Ursem, die op Koningspade 23 boerde. Zoon Klaas reed melk voor de melkfabriekjes aan De Langereis en De Gouwe, en later in De Weere. Klaas kocht later aan het Noordeinde een stuk land waar later zoon Frinkel zou tuinen. Zoon Jan begon in Obdam een tuinderij.

* De Aartswouder bakker P. Purmer kocht 1 ha die uiteindelijk in 1917 gekocht werd door A. Bakker D.zn. Deze woonde in het laatste huis van het Groene Wuiver. Hij was de stamvader van de Bakkers en de vader van Dirk Bakker, handelaar in bijgoed en tussen 1948 en 1956 wethouder van Hoogwoud.

Op Herenweg 87 (nu Zorgwijk) boerde Jan Rooker. Hij bezat 26 ha, ook gelegen bij Herenweg 82 (Rooker). Herenweg 87 werd in de crisisjaren verkocht aan zijn zoon die de boerderij niet kon houden en deze in 1893 verkocht aan het Abbekerkse schoolhoofd H. Rol. Deze liet er in 1905 een nieuwe boerderij bouwen, genaamd Zorgwijk.

De boerderij Zorgwijk rond 1940.

Zoon J. Rol liet deze boerderij in 1916 openbaar verkopen in café Has:

* C. Klaver kocht de boerderij en het grootste deel van het land. De plaats kwam terecht bij zoon Jaap en later bij zoon Nicolaas.

* Tuinder De Boer/Van de Bles kocht 1 ha en begon er een tuinderij.

* Tuinder Teun Groot kocht 0.9 ha land.

* De gebroeders Eeken kochten 3.9 ha land, die in 1929 werden verkocht aan Teun Groot. De boerderij werd gekocht door pluimveeslachter Henk Dam.

Herenweg 81 (nu Beukert. 10 ha) kwam in 1885 in handen van A. van Leeuwen. Zijn weduwe trouwde met D. Aartman die de boerderij verkocht aan A. Malman.

Herenweg 78 (De Jong) was slechts een woonhuis waar broodbakker Bijman woonde. Hij kocht na 1888 7 ha land behorende bij Herenweg 74 van B.Z. Appel (nu Deken). Bijman verkocht het land in 1924 aan J. de Jong.

Herenweg 54 (BIauw, 10 ha) werd in 1850 gekocht door de grootgrondbezitster A.C. Broen uit Amsterdam. Deze kocht vanaf 1838 honderden hectare land. Ook in Spanbroek, Opmeer en Hoogwoud. Zij verkocht het land in 1894 aan Van Rossum uit Arnhem, die het in 1905 weer verkocht aan P. de Wit uit Den Haag en de Hoogwoudse slager J. de Vries. Zij verkochten het land in 1908 aan P. Blauw uit De Weere en aan tuinder Klomp, gezeteld aan de Oosterboekelweg.

Herenweg 48 (Schouten) werd in 1851 gekocht door Johannes Reuzenaar van de overleden boer M. Stuyt. Reuzenaar kocht 19 ha land. terwij1 de resterende 9 ha van de  boerderij  gekocht  werden  door de Amsterdammer  P.  Wolthuijzen.  Reuzenaar kocht verder in 1880 (Opmeerder) Pade 22 (Kaatee) uit de nalatenschap van de arme Arie Groot.  In 1892 kocht hij Breestraat 15 (nu  bibliotheek).  Deze fraaie  boerderij  was  in 1878 gebouwd voor P. Laan. Deze was door de crisis in ernstige financiële moeilijkheden geraakt en was gedwongen om de boerderij te verkopen. Ten slotte kocht Reuzenaar in 1895 nog eens 9 ha en wel van de bovengenoemde Amsterdammer P. G. Wolthuijzen. Het land behoorde hij Herenweg 48. Herenweg 46 was nog slechts een renteniershuis. Reuzenaar  liet  in 1898 50 ha na aan schoonzoon  Piet  Groot.  Het  ging  om Herenweg 48 en Pade 22. Piet had acht kinderen en probeerde zijn bezit uit te breiden. maar dit gelukte niet. Wel liet hij in 1917 achter het renteniershuis Herenweg 46 een stolp bouwen, waarna Herenweg 48 gesplitst werd in delen van 18 en 10 ha. Na het overlijden van weduwe Dieuw Groot in 1934 werd:

* Herenweg 48 gekocht door schoonzoon Cor Schouten.

* Herenweg 46 kwam in handen van de kinderen Theo en Geertje. Geertje woonde later nog lang in het renteniershuis bij de katholieke kerk.

Het renteniershuis samen met de in 1917 gebouwde stolp aan Herenweg 46.

* Pade 22 werd gehuurd door zoon Cees die de boerderij niet kon houden. Deze werd verkocht aan een stedelijke instelling.

Zoon Cor Reuzenaar erfde 20 ha. Hij was wethouder in Opmeer tot Klaas Laan hem opvolgde. Cor bewoonde lang Breestraat 15 en ging uiteindelijk dicht bij de katholieke kerk rentenieren aan de Middelweg 6 (nu Arie Klaver), waar een herenhuis werd gebouwd. Breestraat 15 kwam in handen van zijn enige schoonzoon Arie Klaver. Dochter Maria Klaver herinnerde zich nog de theevisites die op verjaardagen of tijdens de Opmeerse paardenmarkt werden gehouden. Maria werd in 1908 geboren en stond jarenlang voor de klas van de katholieke lagere school in Hoogwoud.

Haar ouders bezaten nog een rijk gevulde pronkkamer,  waar  bovendien  nog  een schilderij   hing  van  grootvader  Johan Reuzenaar en zijn vrouw. Er stond een grote uitstalkast voor het zilver- en goudwerk. Op deze kast stonden porseleinen vazen  van  Wedgewood,  van  het  type Imari. In deze kast lagen een Bijbel met zilveren slot, een set zilveren lepels en vorken met monogram, een zilveren pijpopsteker, etc. etc. Vader Klaver droeg een borstrok met zilveren knopen, terwijl ook de nistel aan de veter van zijn boerenkiel van zilver was. In een dichte kast in de muur bevond zich het serviesgoed. Het eetservies was 24-delig en wel van Regout, type De Ruyter. Het koffie- en theeservies waren twaalfdelig, elk van dun met de hand beschilderd porselein. In de witkast lag een twaalfdelig lakenset, dat afgezet was met kant. Dit linnengoed was op stapels gelegd., bijeen gehouden door een lint. Ook de gewone kamer was mooi ingericht. Op de tafel lag een damasten laken met een afbeelding van de twaalf apostelen ingeweven. De tafel was uitschuifbaar en met marmer ingelegd. Verder was de kamer versierd met Delftsblauwe borden en met een spiegel.

De prachtige pronkkast van de familie Klaver.

Bij theevisites werd de scharnierdeur tussen de gewone kamer en de pronkkamer geopend om meer ruimte te maken. De gasten kwamen om twee uur. De werkman tuigde de paarden af en hing het tuig aan het tuigerek. De gasten werden onthaald op thee met bruidssuikers en chocolade uit zilverpapier. Daarna volgde een borrel. De vrouwen dronken likeur of wijn. Klaver had in zijn kelder een voorraad wijn, die hij  per  anker tegelijk  kocht,  merk  St Esteve. De wijn werd gedronken uit kristallen glazen, met een bloemmotief. De mannen dronken jenever met een scheutje augustura bitter, uit een karaf van Catz en Zonen uit Groningen. Aan het einde van de middag werd een broodmaaltijd geserveerd.  Slager  Koopman  leverde  goed vlees zoals rosbief of rookvlees; worst werd niet opgediend.  Een uitzondering was bloedworst, dat gegeten werd met zurezult. Een hele enkele keer werden de theevisites uitgebreider gevierd. Er kwam dan ringetjestaart, gekocht bij bakker De Boer  uit  Hoorn.  De  warme  maaltijd bestond  uit  vermicellisoep  met  ballen,
aardappelen  met  verschillende  soorten groenten zoals suikerperen of winterjannen en koud vlees zoals rollade. De maaltijd werd besloten met griesmeelpap met bessensap.

De  Raphaelhoeve aan Herenweg 29 (groot 22 ha) werd in 1851 gekocht door Dirk van Diepen. Hij boerde in Spierdijk op de Zonnewijzer en bezat bij zijn overlijden in 1871 ruim 200.000 gulden. Dirk liet in 1865 zijn bezit na aan vier kinderen. Zoon Klaas erfde de Raphaelhoeve. Klaas was een belangrijk man in Hoogwoud. Zo was hij wethouder en van 1888 tot 1915 kerkmeester van de Sint Jan de Doperkerk. Dirk bezat bij zijn overlijden in 1916 49 ha land, ook gelegen in De Weere. Hij kon zijn landaankopen niet uit eigen zak betalen en leende al in 1879 f.7.500,- van de Hollandse Hypotheekbank uit Amsterdam.  In 1887  leende  hij  f.7.500,- van dezelfde bank en in 1888 nog eens f. 11.000,-. In hetzelfde jaar leende hij f. 24.000,- van M.J. Dekker, weduwe van de fabrikant R. Laan uit Wormerveer.

De Raphaelhoeve nog in volle glorie.

Klaas liet in 1916 zijn bezit na aan zijn vijf kinderen. Op de Raphaelhoeve kwam schoonzoon J. Beerepoot die de boerderij echter niet kon houden. Deze werd in dat jaar verkocht aan de particulier C. Schade uit Oosterbeek. Jan van Diepen ging hierop deze boerderij huren.

Opmeer

 

Middelweg 4 (Neefjes)  werd  in 1872 gekocht door P. Slot. Zijn dochter trouwde met Dirk Wijnker die 1/4 van de plaats erfde en deze uiteindelijk in 1908 zou kopen. Na zijn tweede huwelijk met Trijn de Jong was Dirk een van de rijke boeren van  Opmeer en  medeoprichter van de Hoogwoudse  boerenleenbank.  Bij  zijn overlijden in 1935 liet hij 36 ha land na aan zijn twee kinderen. Zoon Piet Wijnker zou op Middelweg 4 komen.

Middelweg 8 (16 ha) was bezit van K. Groot en M. Reuzenaar. Zij was mogelijk een   zus van bovengenoemde Johan Reuzenaar, omdat deze na het overlijden in 1865 van K. Groot aangesteld werd als voogd over de kinderen.  Het echtpaar Groot-Reuzenaar bezat 32 ha land, waartoe  ook  een  deel  van  de  boerderij Middelweg 11 (nu Schipper) behoorde. Op deze boerderij woonde Coen P. Vriend die 10 ha land bezat. De weduwe M. Reuzenaar trouwde in 1867 met buurman P. Vriend.

Na het overlijden van M. Reuzenaar in 1910 erfde zoon Jan Groot Middelweg 8 (16 ha) terwijl Middelweg 11 (20 ha) in handen kwam van schoonzoon Cor Zuurbier.  Na het vroegtijdig overlijden van Jan Groot in 1915 kwam Middelweg 8 gedeeltelijk (10 ha) in handen van zoon Klaas Groot. De rest van de boerderij (6 ha) kwam in handen van schoonzoon A. Schipper, koopman uit De Weere, die uiteindelijk ook Middelweg 11 verwierf van Cor Zuurbier.

Middelweg 25 Fries en Vrij. (Glas) was bezit van S. Laan uit Benningbroek. Deze Laan liet bij zijn overlijden in 1887 70 ha land na. De boerderij kwam in handen van Dirk Pijper. een van de vier erfgenamen van Laan. Pijper erfde in 1881  via zijn vrouw M. Stam een deel in Pade 20 (17 ha). Deze boerderij werd in 1890 gekocht door L. Groot uit Spierdijk die deze later verhuurde aan Klaas Laan, vader van Piet Laan. Pijper boerde op Middelweg 25. De boerderij werd gekocht door C. Glas van de Pade. Zoon Jaap Glas boerde er vanaf 1944 en beschreef Pijper als een echte hereboer. Zijn bedrijfsvoering was conservatief, een ierkelder was er bijvoorbeeld niet. Twee arbeiders en een meid deden het werk. Had Dirk de meid nodig dan trok hij aan een touw dat door het hele huis liep en verbonden was met een bel. Vrije tijd stond hij Dirk hoog in het vaandel. Wanneer het hooi op het land dreigde te verregenen, ging Dirk toch op theevisite. Ook op andere terreinen hield Pijper van  het  goede  leven.  Zo  schreef  hij gedichten en zat hij in het bestuur van allerlei organisaties. Hij rentenierde nog een periode. Deze leefwijze kostte natuurlijk wel geld. Elk jaar maakte Dirk meer op dan er verdiend werd. Hij moest daarom af en toe land verkopen om in zijn onderhoud te voorzien. Hij verkocht Pade 20 evenals acht hectare van Middelweg 18 zodat deze uiteindelijk nog maar 13 hectare telde.

Hier ziet u de boerderij van Dirk Pijper rond 1900.

Pade 2 (de Grenshoeve) was bezit van diverse eigenaren tot Simon van de Deure de percelen omstreeks 1900 bijeenvoegde tot een boerderij van 16 ha.

De Koningspade

Koningspade 3 (thans C.  Klaver) was bezit van J. Conijn. Na zijn overlijden in 1854 erfde zoon K. Conijn de boerderij met 33 ha land. Conijn kwam in de crisisjaren in moeilijklieden te verkeren. Hij leende  in 1881 f. 1.000.- en  in 1885 f. 2.300,- bij Willem Klaver uit Abbekerk. Verder kunnen we in het boekje van B. Voets over de Sint Jan de Doperkerk in Hoogwoud lezen (p. 68) dat hij waardepapieren van de kerk beleende. Bij zijn plotse overlijden in 1888 konden zijn schulden niet worden afbetaald, waarna verkoop van de boerderij volgde. Deze werd voor  f. 54.000,-   verkocht   aan   de Amsterdammer  Van  Lennep,  die  deze boerderij verhuurde, als laatste aan Dirk Saal. Deze liet met Klaas Laan in 1900 de kaasfabriek de Onderneming bouwen aan de Waterkant in Opmeer. In 1915 verkocht Van Lennep de boerderij voor in totaal f.80.000,- aan J. Dekker, C. Ursem en Glas.

Koningspade 5 (nu Kuiper) werd in 1888 en 1892 gekocht door de Amsterdamse handelaar H. Luden. Hij voegde de boerderijen van elk tien hectare bijeen tot een boerderij. Luden liet bij zijn overlijden in 1928 in totaal 47 ha land in Westfriesland na  aan  de  familie  van  zijn   vrouw, Bloemen en Willet genaamd. De 'heer-schapsplaats' aan de Koningspade werd verhuurd. vanaf 1930 aan Cor Kuiper, die deze boerderij later ook kocht.

De boerderij van Kuiper aan Koningspade 5 voor de brand.

Koningspade 8 (20 ha) was bezit van R Stroet, die de boerderij in 1912 verkocht aan zijn zoon K. Stroet. Bij een openbare verkoping van de boerderij in 1929 kocht schoonzoon J. Schilder 10 ha land en J. Vriend de overige helft van de boerderij. J. Schilder was de eerste voorzitter van de in 1916 opgerichte afdeling van de RK LTB in Hoogwoud.

Koningspade 10 (Koenis) was bezit van de schoonzoon van Dirk Appel, J. Schermer. Schermer bezat 20 ha land o.a. gelegen aan Koningspade 10. Het werd in 1905  gedeeltelijk (5  ha)  verkocht  aan zoon Dirk die het in 1919 verkocht aan Dirk Schilder (Koningspade 16, Koopman) en A. Zee. Acht ha werden in 1905 verkocht aan J. Houtman, die het na zijn faillissement in 1937 verkocht aan Cor Vlaar uit Avenhorn. In 1942 kwam de boerderij in bezit van de voerhandelaar en veehouder J. Koenis. Momenteel woont er nog steeds een Koenis.

Koningspade 12 (Rens) kwam in 1875 door vererving in handen van J. Appel, zoon van Dirk Appel, en was 13 ha groot. De weduwe Appel-Spaander verkocht het land in 1915 aan J.P. Donker uit Sijbekarspel. Deze verkocht het land in 1927 aan schoonzoon S. Kos die het in de crisisjaren (1935) verkocht aan J. Schagen. Later zou het in bezit komen van diens zoon. Het is heden ten dage nog steeds  in  eigendom  van  Mw.  Tromp-Schagen die het verhuurt aan J. Rens.

De Appelhof (Appel) aan de Westerboekelweg was bezit van F. Appel, zoon van Dirk Appel. Bij de Appelhof behoorde 15 ha. Een deel van het land werd in 1925 gekocht door zoon A. Appel en het resterende land door koopman F. Schotten en de Hoogwoudse kastelein P. Hat. Deze verkochten het land later weer aan de Appels.

Koningspade 17 (De Willemshoeve, Donker) was bezit van Frederik Appel (geen familie van Dirk). Zijn weduwe verkocht in 1882 het grootste deel van de boerderij (24 van de 18 ha) aan haar zoon A.F. Appel. Deze verkocht in 1905 tijdens een openbare verkoping in het café van Olfert Schermer de boerderij aan J. Donker uit Sijbekarspel. Donker kocht in 1915 nog 8 ha uit de nalatenschap van J. Appel Dirkzn. behorende bij Koningspade 12. Jan Donker liet bij zijn overlijden in 1927 54 ha land na. De Willemshoeve kwam in handen van zoon Piet Donker en de boerderij aan de Koningspade 12 in die van schoonzoon S. Kos.

De Willemshoeve in april 1968.

Koningspade 22 (Dorps zicht, Keeman) werd in 1893 verkocht door J. Helder Czn aan P. Bakker. Deze ging rentenieren aan de Koepoortsweg in Hoorn. Na zijn overlijden werd de boerderij (18 ha) in 1920 openbaar verkocht. Het bezit viel uit elkaar. Een slager uit Scharwoude kocht 9 ha land, de gebroeders Clay uit Sijbekarspel kochten 3,5 ha en D. Rooker kocht 4 ha. Zoon Willem kocht in 1945 deze 4 hectare en kocht uiteindelijk bijna de hele boerderij terug.

Koningspade 23 (Onverwachts, Beerepoot) kwam zoals gezien in 1909 in handen van J. Molenaar, erfgenaam van Neeltje Groot Ariezoon. Gert Ursem ging deze plaats van 28,5 ha huren. De werkman van Gert was tuinderszoon Teun Groot (de vader van Klaas Groot), die vanaf zijn trouwen tot 1916 bij Ursem in dienst was. Teun werkte voor een dubbeltje per uur ofwel 7 á 8 gulden in de week. Verder kreeg hij nog twee kan melk per dag en een stukkie land waarop hij aardappelen en groente kon verbouwen. De huur van het werkmanshuisje (Koningspade 24), groot 1 gulden, moest hij zelf betalen.

Gert was een echte hereboer. Hij was een weider en een liefhebber van paarden in de traditie van het Noordeinde. Tijdens het ringsteken had Gert de mooiste wagen, aldus toeschouwer Klaas Groot. Gert stuurde de tilbury en een van zijn dochters probeerde de ring te steken. Voor deze gelegenheid haalde Ursem het mooiste tuig uit de tuigekast en liet het door het personeel mooi oppoetsen. Het leer werd in het vet gezet. Dit ringsteken werd gehouden op de maandagmiddag van de katjeskermis. Meestal deden 15 á 20 wagens mee, die in de Boekel om een prijs streden. Oudere bestuurders waren gekleed in het zwarte lakenpak, de vrouwen droegen een lange zwarte jurk en sommigen nog een kanten hul op het hoofd. De katjeskermis werd in september gehouden en duurde twee dagen. Een comité onder leiding van veehandelaar Dirk Mulder organiseerde dit ringsteken, maar ook het zaklopen voor de kinderen. ’s Avonds was er dansen in het café van Joop Breed.

Gert liet het werk doen door het personeel. De kunstmest die hij kocht bij Klaas Laan liet Gert door Laan uitstrooien. Piet en zijn broers deden dit verder alleen bij dokter Pool, die aan het Noordeinde een boerderij bezat. Ursem was een beste klant die wel voor 1000 gulden tegelijk kocht, aldus Piet Laan. Vader Laan had aan het begin van deze eeuw een kunstmesthandel. Die hij later overdeed aan Koenis. Gert huurde de boerderij van J. Molenaar, die deze had verworven na het overlijden van Neeltje Groot in 1909.

Blijkbaar was er onduidelijkheid over het eigendom, want ook Cees Ursem meende rechten te hebben en voerde een jarenlange rechtszaak om deze plaats. Cees had weliswaar 'een dik touw' maar kon de zaak niet winnen. Gert vertrok naar een boerderij op Terdiek waarna de boerderij in 1923 verkocht werd aan G. Beerepoot (23 ha) en P. Blauw (5.5 ha). Beerepoot kocht alleen het land achter de boerderij. Het land dat over de weg bereikt kon worden was net wel het beste land, volgens Jan Blauw die ik hierover sprak in de bus van Hoogwoud naar Hoorn. Zoon Arie boert er trouwens nog steeds, op Koningspade 27.

De nog altijd in originele staat verkerende boerderij van Koningspade 23.

Koningspade 29 (De Beurs) werd in 1888 gekocht door J. Langedijk. Hij verkocht de boerderij met 7.8 ha land in 1891 aan J. de Beurs. De boerderij bleef lang in het bezit van De Beurs.

Het land achter Koningspade 33 (Th. Bakker) behoorde eerst toe aan de rijke Arie Groot en in 1868 aan zoon Klaas. Na het overlijden van diens weduwe in 1878 kwamen de vijf ha in handen van Cor Laan, die in Opmeer aan de Middelweg boerde. In 1917 werd 2.5 ha land gekocht door P. Deken en P. Blauw en de overige helft door Dirk Bakker. Bakker (1890) was de zoon van tuinder/groenteboer Arie Bakker. Zoon Dirk was eerst bakkersknecht,   en   kocht   tijdens   de   Eerste Wereldoorlog een stuk bouw in De Weere. Dirk kocht eveneens het huis van zijn vader, waar onder anderen zoon Kees nog geboren is.

Omstreeks 1925 liet hij aan  de Koningspade een huis houwen. Dirk was een succesvol tuinder en handelaar in bijgoed en hij was vanaf 1948 nog wethouder van Hoogwoud. Dirk en zijn buurman Grootewal waren de eersten die in Hoogwoud anemonen verbouwden.  Dit gebeurde eerst op contract voor Sluis en Groot. In 1932 ging hij met Grootewal naar de beurs in Uitgeest om er zelf zaad te kopen. De eerste oogst van 50 roede bracht de hele beste prijs van 1000 gulden op. Bij het uitbreken van de oorlog teelde hij al 500 roede. Na de oorlog ging Dirk in bijgoed handelen.

 

 

Website designed and build by Déanluma