De ambachtsheren en het Raadhuis in Hoogwoud

door Erik Mooij, Martien Hoogland en Louis Groen

Wie door Hoogwoud rijdt ziet dat vele straten namen vernoemd zijn naar adellijke personen. Wat is er waar van het veel gehoorde idee van de vrije en zelfstandige Westfriezen die zich door niemand lieten onderwerpen? Het loont de moeite om iets uitvoeriger stil te staan bij de invloed van deze adellijke figuren in Hoogwoud en Aartswoud, zeker nu het 740 jaar geleden is dat de Hollandse Graaf Willem II in Hoogwoud vermoord werd. Willem bracht niet alleen adellijke ambachtsheren naar Hoogwoud en Aartswoud maar ook het raadhuis, dat door diezelfde heren gebouwd werd. Vanuit het raadhuis regelden zij het bestuur en vooral de belastingheffing.

Kloosters

Het beeld van de vrije Westfriezen blijkt voor de vroege middeleeuwen te gelden. In Egmond woonde omstreeks het jaar 900 wel een ridder genaamd Dirk I maar hij had geen macht in Westfriesland. Dirk II stimuleerde omstreeks 950 de bouw van een klooster te Egmond. Dit klooster zou in de komende eeuwen het geloof brengen, ook in Westfriesland. In dezelfde tijd lieten de bisschoppen van Utrecht in Friesland kloosters bouwen. Hun invloed reikte tot Medemblik. Vanuit Egmond en Medemblik werden in diverse Westfriese dorpen kerken gesticht die bovendien nog van pastoors werden voorzien. Hoogwoud ligt  ongeveer  halverwege  Egmond  en Medemblik,   maar   viel   waarschijnlijk onder Medemblik. In de rekeningen van Egmond   is   namelijk   de   kerk   van Hoogwoud niet te vinden.

De nazaten van Dirk I vertrokken naar Zuid-Holland, naar de monding van de Rijn, om er de scheepvaart van en naar Duitsland te belasten. Wel vestigden ze in de erop volgende eeuwen hun gezag over het grootste deel van Holland. Ze noemden  zich  de  graven  van  Holland.  De invloed van Graaf Willem II reikte echter slechts  tot  Egmond  en  Alkmaar.  De Westfriezen bleven vrij. Hun land was moeilijk toegankelijk door de aanwezigheid van het vele water. Zo waren bijvoorbeeld de Schermer en de Heerhugowaard nog  niet  drooggelegd.  De  Westfriezen spanden wel af en toe samen met de bisschop van Utrecht of met Friese ridders om het graafschap Holland onveilig te maken. In de 12de eeuw vielen ze herhaaldelijk Kennemerland binnen, terwijl ze een keer zelfs Haarlem plunderden.

Graaf Willem II besloot daarom Westfriesland te onderwerpen. Hij ondernam omstreeks 1250 verschillende veroveringstochten en kreeg invloed in het hele gebied rondom Alkmaar, namelijk in Warmenhuizen en Oudkarspel en in Oterleek, Obdam, Opmeer en Spanbroek. Het noordelijker gelegen gebied waaronder Hoogwoud, Sijbekarspel, etc. bleef nog vrij. Erger nog Willem II zakte in 1256 bij Hoogwoud door het ijs, waarna hij sneuvelde. Zijn zoon graaf Floris V zette de pogingen om de Westfriezen te onderwerpen in alle hevigheid voort. Hij werd hierbij geholpen door de heren van Egmond. Verder kreeg Floris de dorpen Akersloot, Uitgeest en Wormer aan zijn kant, weliswaar in ruil voor een tijdelijke vrijheid van belasting. Floris bond tussen 1272 en 1289 herhaaldelijk de strijd aan met de Westfriezen.

Graaf Willem II zakt door het ijs en sneuvelt

Uiteindelijk gaven zij zich over. In 1289 ondertekenden de vertegenwoordigers van het  Houtwouder  ambacht (Hoogwoud, Sijbekarspel, etc.) een akte van onderwerping  in  het  kasteel Torenburg  vlakbij Alkmaar.

De Heren en de Belasting

Om de Westfriezen definitief onder controle te houden liet Floris vijf kastelen bouwen. Deze verrezen o.a. bij Medemblik en Warmenhuizen. Verder stelde hij in Medemblik een baljuw aan die  invloed  kreeg  in  Hoogwoud  en Aartswoud. Verder werden in de dorpen schouten aangesteld, die de leiding hadden over het dorpsbestuur, dat bestond uit schepenen.

Baljuw en schout gingen op de eerste plaats  belasting heffen. De oorlog had handen vol geld gekost en Floris wilde dit natuurlijk terugzien.  Daarom  werd de opbrengst van het land belast met het `korentiende' en het `vlastiende'  De boeren moesten voortaan een tiende deel van hun graan en vlas afdragen aan de graaf. Verder moesten de kerken in Westfriesland de door hun ontvangen giften aan de graaf afdragen en niet meer aan de bisschop van Utrecht of de abt van Egmond.

Baljuw en schout gingen ook recht spreken over de Westfriezen. Moord en diefstal werden bestraft met allerlei boetes, die natuurlijk gedeeltelijk in de schatkist van  de  graaf  belandden.   De  baljuw berechtte  de  zware  vergrijpen,  terwijl lichte vergrijpen voor de schout en de schepenen kwamen. Het was dus gedaan met de gewoonte van de dorpsschepenen om zelf recht to spreken.  Rechtspraak gebeurde trouwens in een straal van een kleine 20 meter rond-fiet kerkhof, aangezien er in Hoogwoud en Aartswoud nog geen raadhuis was.

Kerk en Raadhuis

Ondanks   de   onderwerping   van   de Westfriezen,   legden   de   graven   van Holland hen slechts een lichte belasting op. Hoogwoud en Aartswoud vormden samen een 'vrije stad'. Toch namen de Westfriezen in 1426 weer de wapens op tegen gravin Jacoba van Beieren

maar ook toen  delfden  ze  het  onderspit.  Jacoba besloot toen om een einde maken aan de bevoorrechte positie van Hoogwoud en Aartswoud. Het gebied viel voortaan niet meer direct onder de graaf van Holland, maar het werd een heerlijkheid die verkocht kon worden. Hoogwoud en Aartswoud werden in 1429 in leen gegeven aan Eduard de Bastaard, een bastaardbroer van Jacoba. Hij stelde een schout aan als zijn vertegenwoordiger. De schout was voorzitter en secretaris van het dorpsbestuur. Hij kon zo mooi aan de ambachtsheer rapporteren wat er in het dorp  gebeurde.  Verder  had de  schout directe invloed op de keuze van de dorpsschepenen.

Aangezien er nog steeds geen raadhuis was, spraken de schepenen nog steeds recht vlak bij de kerk (huidige NH-kerk). Het belang van deze kerk blijkt ook uit het feit dat de documenten met heerlijkheidsrechten tot in de 16de eeuw daar bewaard werden. Een kerk was er zeer waarschijnlijk al in de 13e eeuw terwijI het raadhuis na 1450 moet zijn gebouwd. Op 29 maart 1450 verleende Eduard den Bastaard, heer van Hoogwoude, stadsrechten aan Hoogwoud. Deze stad en heerlijkheid bestond uit de twee burgerlijke gemeenten Hoogwoud en Aartswoud, waarvan het grondgebied destijds samenviel met de gelijknamige twee kerkelijke gemeenten ofwel parochies. In artikel 5 van zijn handvest liet hij opnemen dat voor het rechtspreken, op vijf roeden -een oude lengtemaat, ongeveer de bovengenoemde 20 meter groot- verwijderd van het kerkhof, een raadhuis gebouwd moest worden.

Belasting van de graanbouw

De schepenen en de schout regelden vanuit het raadhuis de inning van de belastingen. Zij kozen hiervoor een tweetal schotvangers. Deze inden o.a. het landsschot en het molenschot. In 1599 brachten deze belastingen in totaal 1111 pond en 18 schelling op. Het landsschot (= het korentiende) en het molenschot betroffen vooral inkomsten uit de graanbouw. Dit mag de lezer in 1996 merkwaardig in de oren klinken, omdat de graanbouw allang uit Westfriesland is verdwenen. De Westfriezen verbouwden lang een groot deel van hun graan omdat het transport uit andere delen van Europa nog moeizaam verliep. Het grote belang van graan valt mooi af te  lezen aan het wapen van Aartswoud. Dit bestaat uit een staande korenschoof in goud op een blauw veld.

Het molenschot betrof de inkomsten uit de graanmolen. De heer gaf aan de bevolking van Hoogwoud en Aartswoud het recht am een korenmolen te laten bouwen, mits hij hiervoor een vergoeding kreeg. Het is trouwens niet duidelijk wanneer in Hoogwoud de eerste molen verscheen. In de 14de  eeuw  wordt  al  over rnolens geschreven. In 1608 liet de toenmalige heer van Hoogwoud zelf een korenmolen bouwen. Dit is waarschijnlijk de voorloper van de huidige Lastdrager. De schepenen controleerden ook de hoogte van het maalloon van de molenaar. Voor een verhoging   moest  aan  hen   toestemming
gevraagd worden. De schepenen hielden ook toezicht op de maten en gewichten die in het dorp gebruikt werden. Deze moesten geijkt worden  volgens de ijk van Hoorn. Dit om misbruik te voorkomen.

Afnemende invloed na 1560

De  graven  van  Holland  hadden  dus invloed in de heerlijkheid Hoogwoud en Aartswoud. Zij hadden bijvoorbeeld het recht op de aanstelling van een pastoor. In april 1353 gaf graaf Willem V aan pastoor Dirk Voppenz de Jonge de kerk van Hoogwoud in bediening. Dirk was verbonden aan de hofkapel van de graaf in Den Haag en hij stond dus aan de kant aan de graaf. Dit bleek ook uit het feit dat zijn zus Machteld Voppenz belast was met de opvoeding  van  de  kinderen  van graaf Albrecht van Beieren.

Ook de ambachtsheren van Hoogwoud en Aartswoud  vergrootten  in  de  15de  en begin 16de eeuw hun invloed in de regio Hoogwoud en Aartswoud. Zo liet Eduard de   Bastaard in de 15de eeuw in Hoogwoud zelfs een huis bouwen. Dit huis stond waarschijnlijk ergens aan het Noordeinde, tegenwoordig de Herenweg. In 1493 kwam de heerlijkheid in handen van het huis van Egmond. Dit was een rijkadellijk geslacht   dat   oorspronkelijk afkomstig was uit Egmond. Lamoraal van Egmond was, na Willem van Oranje, de rijkste man van Holland. Hij had omstreeks 1540 plannen om de haven van Aartswoud uit te breiden. Hij zette hiermee de politiek van graaf Albrecht van Beieren voort die al in 1386 toestemming had  gegeven  tot  het  graven  van  de Langereis. Aartswoud werd zo de voorhaven   die   Alkmaar   verbond   met   de Zuiderzee.

De invloed van de ambachtsheren was echter aan grenzen gebonden. Een reden is dat het huis van Egmond verstrikt raakte in de Tachtigjarige Oorlog die  de Republiek der Zeven Provincien tussen 1568 en 1648 met Spanje voerde. Lamoraal van Egrnond  werd opgepakt door Alva en in 1568 te Brussel onthoofd. Zijn  bezittingen  werden  verbeurd  verklaard. Pas in 1599 kreeg zijn zoon Lamoraal de heerlijkheid terug van de Staten van Holland. Lamoraal jr leidde echter een losbandig en verkwistend leven en  raakte  diep  in  de  schulden.  Hij verkocht daarom de heerlijkheid in 1599 aan  Cornelis  van  Mierop,   heer  van Calslagen. Dit was een Brabants edelman die de heerlijkheid zag als een geldbelegging en het bestuur verder aan de dorpelingen overliet. Het betekende wel dat de inwoners van Hoogwoud en Aartswoud al die tijd ongestoord hun gang konden gaan.

Het vermoedelijke huis van Hoogwoud dat Eduard de

Bastaard in de 15e eeuw liet bouwen.

Scheepvaart en veehouderij onbelast

Een tweede reden voor de toch beperkte invloed van de heren is dat zij hun inkomsten vooral uit de graanbouw haalden. Nu nam in de l6de eeuw de graanbouw in Westfriesland juist af, terwijl veehouderij en scheepvaart. steeds belangrijker werden. Graaf Albrecht van Beieren bevorderde de scheepvaart waardoor Westfriese schippers in de 14de eeuw al het hele Noord- en Oostzeegebied verkenden. In 1400  werden  schepen  uit  Enkhuizen, Medemblik en Hoorn tot in Lissabon en Danzig gesignaleerd. In 1497 passeerden niet minder dan 455 schepen uit Holland de Sont. Dit was de doorgang naar het Oostzeegebied. In 1567 werd de eerste schipper uit Aartswoud daar gesignaleerd.

Westfriesland  ging  meer graan  uit  het Oostzeegebied halen. De boeren konden zich hierdoor toeleggen op de veehouderij en de verkoop van boter en kaas, Deze produkten brachten veel meer geld op dan graan. Ze werden verkocht op de kaasmarkten van Hoorn en Alkmaar. De kaaswaag aldaar dateerde uit 1407, Nergens wordt echter geschreven over belasting van kaas of scheepvaartverkeer ten bate van de heer. Deze inkomsten kwamen dus vooral in de zakken van de Hoogwouders en Aartswouders zodat ze hun zelfstandigheild konden vergroten. Tekenend is dat grootgrondbezit zich in deze regio slechts weinig ontwikkelde. De Hoogwouder en Aartswouder boeren bleven vooral eigen bezitter van hun land.

Boeren, Schippers en Regenten in de 17de Eeuw

Hoogwoud en Aartswoud deelden in de 16de en 17de eeuw in de welvaart van de Republiek der Zeven Provincien. In deze periode kwam de veehouderij tot volle bloei. Kaas en boter brachten hoge prijzen op waardoor de boeren prachtige boerderijen konden laten bouwen. Een schoolvoorbeeld is natuurlijk de boerderij aan De Gouwe 48 die in 1671 werd gebouwd. Verder werden scheepvaart en walvisvaart steeds belangrijker. Veehouderij en scheepvaart gingen elkaar bovendien versterken. Boeren investeerden in de scheepvaart en omgekeerd. Dit is goed te zien aan de bovengenoemde boerderij, waar in de gevel een afbeelding van een schip is gemetseld. Deze boerderij was in de 18de eeuw bezit van C. Lz. Sijp, wiens dochter trouwde met schipper P. Koorn. De toenemende rijkdom is af te lezen aan het feit dat de dorpsschepenen zich 'regent' gingen noemen, zoals Adriaan Slickers, scheepseigenaar te Aartswoud. Dorpsbewoners gingen zelfs geld lenen aan de ambachtsvrouwe. Zo leende in 1727 Catharina baronne van der Noot 2000 gulden van de veehouder L.Cz. Sijp. Van de schout van Hoogwoud leende ze in hetzelfde jaar 500 gulden.

Deze boerderij aan De Gouwe 48 werd in 1671 gebouwd.

Blijvende maar beperkte invloed van de ambachtsheer

Ondanks de groeiende rijkdom van de Hoogwouders en Aartswouders bleef de ambachtsheer invloed houden. Zo liet Cornelis van Mierop in 1608 een molen bouwen in Hoogwoud. Verder benoemde de heer nog steeds de schout die voorzitter was van de schepenbank. Deze kwam bijeen in het raadhuis. Zij oordeelden zelfs over leven en dood. Ter dood veroordeelden werden opgehangen op de galgenakker die zich bevond bij de Wijzenhorn in Aartswoud.

De ambachtsheer gaf verder zijn goedkeuring aan de benoeming van de dominee van de Hervormde Kerk en de onderwijzers van de lagere school. Verder stelde hij giften beschikbaar aan de kerk en het raadhuis van Hoogwoud en Aartswoud. In de kerk van Aartswoud bevindt zich een eikehouten bank die versiert is met het wapen van Charles de Soete van Laecke, die van 1640 tot 1672 heer was van Hoogwoud en Aartswoud. De ambachtsheer maakte daarnaast gebruik van zijn rechten op het water in de heerlijkheid. In de 17e eeuw werden in heel Holland meertjes drooggelegd en ook in Westfriesland gebeurde dit met bijvoorbeeld de Wogmeer (1609) en de Heerhugowaard (1629). In Aartswoud kwamen De Braak en de Kolk van Dussen hiervoor in aanmerking. Ook nu bleken weer de beperkingen in de invloed van de ambachtsvrouw. Deze was in die tijd Louise van der Noot. Haar rechten op De Braak werden namelijk betwist door het waterschap van de Vier Noorder Koggen. Pas na veel strijd kreeg Louise in 1631 toestemming van de Staten van Holland om het meertje droog te leggen. Het ging om 33.5 ha land. De Grote of Oosterkolk was vóór 1638 grotendeels in eigendom van de kerken van Hoogwoud en Aartswoud. Op 5 februari 1638 kocht Eduard van Axel, heer van Dussen, een groot stuk rietland in deze hoek van de kerkmeesters van Hoogwoud en Aartswoud. Eduard van Axel was een rijke handelaar uit Alkmaar, die ook investeerde in de drooglegging van de Schermer. Van Axel kreeg zo de beschikking over niet minder dan 91.4 ha land.

De achteruitgang in 18de eeuw en het nieuwe raadhuis

Aan de welvaart van de Republiek en dus ook van Hoogwoud en Aartswoud kwam in de loop van de 18de eeuw een einde. Prijzen voor kaas en boter kelderden zodat boeren de waterschapslasten niet meer konden betalen. Land werd daarom verlaten ofwel spagestoken. De ambachtsheer kon hierdoor mogelijk zijn invloed in de heerlijkheid uitbreiden. Hij had nog steeds rechten op het korentiende, en rechten op drooggemaakt land en water. Verder moest de heerlijkheid opdraaien voor de kosten van inhuldiging van de ambachtsheer. Jonkheer van Catz werd in 1729 heer van Hoogwoud en Aartswoud wat de beide dorpen 1000 gulden kostte. Van Catz kocht ook de herberg die nu Het Witte Huis heet. Verder liet hij in 1742 een nieuw raadhuis bouwen. Van Catz verschafte het grootste deel van het benodigde geld, namelijk 3000 van de 5200 gulden. De rest van het geld werd geleend van enige dorpelingen, terwijl ook de dorpen nog een kleine aanvulling gaven.

Dit voormalige raadhuis heeft volgens Pieter Bossen vermoedelijk gestaan tegenover het tegenwoordige raadhuis, op het terrein waar nu de bibliotheek is gevestigd. Hij baseert zijn vermoeden op het feit dat voor het tegenwoordige raadhuis in 1742 grond gekocht moest worden, wat niet nodig zou zijn geweest, als het vroegere raadhuis daar zou hebben gestaan.

Een pentekening van de voorloper van het huidige raadhuis

De aankoop van grond kan echter ook verklaard worden uit het gegeven dat het nieuwe raadhuis groter zou worden dan het oude, zodat er extra grond nodig was. Op een pentekening uit omstreeks 1726 is namelijk het oude raadhuis te zien, staande op dezelfde plaats als waar het huidige raadhuis staat. De originele tekening hangt in  de  hal  van  het  raadhuis. Bovendien is het volgende geboekstaafd: "Alvorens tot de bouw van het nieuwe raadhuis in 1742 te kunnen overgaan, moest er gesloopt worden en het puin worden afgevoerd".  Hieruit blijkt duidelijk dat het oude raadhuis op dezelfde plaats stond als het huidige (L. Groen, red.).

In die tijd vormden de twee gemeenten Hoogwoud en Aartswoud als gezegd tezamen de `Stede en Heerlykheyt Hoogtwoud  en Aerdswoude', ook wel
genaamd de `Stede Hoochtwoudt'  Een raadhuis was er te Aartswoud niet. Tot het jaar 1676 werd vergaderd bij een particulier in dat dorp of in het schoolhuis. Van 1676 tot 1788 vergaderden de Aartswoudse regenten in de herberg de Zwarte Raven (aan het zuideinde van het dorp), kortweg de Raven of de Ravent genoemd. of zij vergaderden in de Roode Leeuw (aan het noordeinde van het dorp), bij de zeedijk.

Het ontwerp van het raadhuis kwam van de  katholiek  Daniel  Willemsz  Kleeff (1686-1757). Hij was een van de grote timmerbazen van Alkmaar. In april 1742 toog hij met 'paard en sjees' naar Hoogwoud om het bestaande raadhuis te meten, teneinde een nieuw gebouw te kunnen ontwerpen. Een gedrukte aankondiging vermeldde dat belangstellenden de bestekken en tekeningen van het gebouw op 1 augustus van dat jaar konden inzien op de secretarie te Hoogwoud, tien dagen voor de aanbesteding.

Met de bouw werd spoedig daarna begonnen. Eerst moesten de aannemers zorgen dat het oude raadhuis werd afgebroken en het puin weggereden. Uit een paar kwitanties van de puinrijders blijkt, dat zij f 1,-per dag verdienden. In augustus 1742 ging burgemeester Adriaan Appel vier dagen naar Utrecht om stenen te kopen. Om een goede fundering te krijgen werd er uit Zandwerven zand gehaald a f 1,50 per wagen.

De eerste steen werd gelegd door Jonkvrouwe Louisa Hedwig van Catz, een zuster van de Ambachtsheer. Zij verschafte onder bepaalde voorwaarden f 3.000,- voor het te bouwen raadhuis. Ze stelde daarvoor in ruil als voorwaarde dat voor haar leven een vertrek met een secreet ofwel toilet in het gebouw zou worden gereserveerd, opdat ze af en toe daarin zou kunnen verblijven. Dit bedrag bleek echter niet voldoende te zijn: er werd van enige ingezetenen nog geld geleend en de dorpen zelf vulden daarna nog een klein tekort aan. De totale bouwkosten hebben ruim f 5.200,- bedragen. In 1744 zou Jonkvrouwe Louisa Hedwig van Catz de heerlijkheid van haar broer overnemen. Louisa woonde trouwens in Leiden. Ze liet in haar testament van op 16 augustus 1752 opnemen dat de toekomstige ambachtsheer jaarlijks een som van honderd gulden in de gemeentekas van Hoog- en Aartswoud moest storten voor het onderhoud van het raadhuis. Deze verplichting was verbonden aan het aloude 'tiendregt'.

Het raadhuis is officieel in gebruik genomen op 16 juli 1743. Ter gelegenheid hiervan schonk de Ambachtsheer, Willem Maurits van Catz, aan de baljuw, schout en de regenten een verguld-zilveren herinneringsbeker. Hierop was naast het familiewapen van de schenker het volgende gegraveerd: 'Heer Willem Maurits van Catz, Heere van Catz, Coulster, Heylo en Oesdom, Vrijheer van Veenhuysen, Hoogwoud en Aertswoudt en in Lambertschage: In den Jare 1716 gecommiteerd wegens de Ridderschap van Holland in de Generaliteits Rekenkamer: ende in de Jare 1719 uit de voorsz.: Generaliteits Rekenkamer door den Staat der Vereenigde Nederlanden afgezonden als Extra-ordinandes Ambassadeur aan het hof van den Koning van Spanjien, Hoog Heemraad van Schieland etc. etc. etc. Heeft te inwijding van het nieuwe gebouwde Stads en Raadhuis der voorsz.: Hooge Heerlijkheden van Hoogwoud en Aertswout desen Silver Vergulden Beker ter gedagtenisse van zijn Hoog-Edelheid aan het college van Baljuw en verdere Regenten der voornoemde Hooge Heerlijkheden geschonken en vereerd op den 16 Julij 1743.' Deze beker werd vroeger ter gelegenheid van de installatie van een nieuw lid van het bestuur gebruikt.

Herinneringsbeker geschonken door Willem Maurits van Catz.

De Franse revolutie en het verdwijnen van de heerlijkheid

De functie van het raadhuis veranderde in de Franse tijd, die duurde van 1796 tot 1812. Het dorpsbestuur verloor enkele van haar taken. Zo werd de rechtspraak verplaatst naar Hoorn. Dit betekende het einde van de schepenbank. Verder werd formeel een einde gemaakt aan de heerlijke rechten. In de praktijk bleven deze rechten ook na het vertrek van de Fransen nog bestaan omdat de Nederlandse overheid geen geld beschikbaar stelde voor de afkoop van de heerlijke rechten. Daarom namen de burgers van Hoogwoud zelf het initiatief tot afkoop van de heerlijke rechten. Deze leverden jaarlijks nog enkele honderden guldens op, onder andere afkomstig uit het aloude tiendrecht. Een comité van Hoogwouder en Aartswouder burgers onder leiding van burgemeester Klaas Langedijk kocht op 21 juli 1849 het tiendrecht voor 16.000 gulden van de voormalige heer van Hoogwoud en Aartswoud, Matthijs Jan Worbert Graaf van Wassenaar. Deze had op 2 juni 1848 de heerlijkheid Hoog- en Aartswoud verkocht zonder tiendrecht, aan Lucas Stokbroo. Lucas Stokbroo was kantonrechter in Hoorn. (Lucas had trouwens nog steeds invloed in Hoogwoud. Tezamen met zijn echtgenote Van Straten bezat hij nog 28 ha land in Hoogwoud). Het tiendrecht kwam toen dus in handen van een veertiental inwoners van Hoogwoud en Aartswoud zelf. Op 13 augustus 1861 werden ze opgeheven. De verplichting tot de jaarlijkse uitkering van honderd gulden voor het raadhuis werd vervangen door 4000 gulden te plaatsen in het Grootboek der Nederlandse Werkelijke Rentegevende Schuld. Met een rentepercentage van 2.5 % kwam men zo uit op honderd gulden.

In 1906 werd dhr J. Breebaart uit Winkel aangesteld als opvolger van burgemeester C. Pijper. Hij  had ingrijpende plannen voor vernieuwing van het raadhuis. De woonruimten van de secretaris boven en van de veldwachter beneden moesten bedrijisruimten worden en het gebouw zelf moest efficienter worden gemaakt. Dat daarbij roofbouw werd gepleegd op de stijl kwam voort uit andere inzichten over restauraties in die tijd. De uitvoering was opgedragen aan de in 1907 aangestelde gemeenteopzichter N.J. Vlaming. De dakkapel werd verwijderd en vervangen door  een  gebroken  kroonlijst.  Hierop werd geplaatst het gemeentewapen: 'Van lazuur, beladen met een Lindeboom van goud;  van achteren vastgehouden door een Arend'  Verder werden de ramen aan de voorzijde voorzien van spiegelglas met een bovenversiering. Bij deze gelegenheid verdween ook de grote buitenbarometer, een  geschenk  van  notaris  Donker  uit Benningbroek. Om de kosten te drukken werden oude materialen afgevoerd en verkocht. De totalen kosten bedroegen volgens de notulen de som van f 1.907,-. Alles  was  in  eigen  beheer uitgevoerd. Men  noemde  de  vernieuwing  spottend stijl Vlaming.

Gemeentehuis rond 1900

Kort na de infunctietreding (in 1946) van Burgemeester D. Breebaart werden deze spiegelglasramen  weer  verwijderd  en werd aanpassing gezocht met de ramen aan de achterzijde van het raadhuis. De huisvesting  in dit raadhuisje was zeer bekrompen,  zo  moest de burgemeester genoegen nemen met een vertrek in het souterrain. Op 23 maart 1959 stelde de raad burgemeester Breebaart in staat om een stuk nieuwbouw enigszins in Stijl uit te laten werken en plannen te maken voor de restauratie van het oude raadhuis. De raad kende hem een aanloopkrediet toe van f 2000,-.

Omstreeks 1964 werd getracht het gebouw op de monumentenlijst te plaatsen, aanvankelijk zonder resultaat omdat teveel wijzigingen in nadelige zin in het verre verleden waren aangebracht. Toch werd uiteindelijk goedgevonden het raadhuis op de voorlopige Monumentenlijst te plaatsen. Er werden twee architecten ingeschakeld, namelijk Boogaard te Middenmeer, die een vleugel achter het bestaande  raadhuis  ontwierp,  en  C.W. Royaards  te  Schoorl,  die  de  plannen maakte voor de restauratie in het oude gedeelte. Deze plannen werden ter goedkeuring ingezonden naar het Rijk en het Provinciaal Bestuur van Noord Holland. De rijksdienst voor de monumentenzorg keurde het restauratieplan goed en adviseerde rijkssubsidie toe te zeggen; eveneens zegde het provincie bestuur subsidie toe. Eerst werd de nieuwe vleugel gemaakt en wel door de plaatselijke aannemers Snel en De Boer. Er bevinden zich in een ruime hal, een secretarie, een kamer met een kluis, terwijI de zolder is ingericht als archief. De veel ruimte eisende administratie werd ondergebracht in deze moderne vleugel. Deze ruimte maakte in die tijd een ruime, mooie indruk. Deze vleugel is sinds 1 juli 1988 in gebruik van Administratiekantoor Van Dolder.

Gemeentehuis in "Stijl Vlaming".

Architect C.W. Royaards, die de restauratie met grote zorg verrichte, hoefde voor de restauratie geen nieuw bestek te schrijven want dat was er nog uit 1742: '..de timmerman sal alle hout moeten opleveren sonder quaad en onbehoorlijke scheuren off quade quasten' enz. enz.  Wel moesten de ellen en voeten in centimeters worden  omgerekend.  De  toon  van dit bestek is zakelijk en to the point (duidelijk familie van het hedendaagse bestek), niets wordt  overgeslagen  tot  'd'sleutels  van d'deur  incluis';  het  besluit  ermee  dat 'indien de aannemer het werk liet steken, al  het geleverde  ten  behoeve  van den armen   werd  geconfisqueert'   Uit  dit bestek bleek ook het bestaan van de dakkapel, die al lang vergeten was.

Uiterlijk ondergingen voor- en achterramen een wijziging in roedeverdeling en er werden weer echte horren geplaatst. De voormalige dakkapel werd in ere hersteld. Onder de dakkapel staat met gouden letters: `Dit Raed Huys Heeft Laten Bouwen JonkVrouwe Louise Hedwig Van Catz, Benevens de Regenten In 't Jaer 1742. 'Het oude raadhuis werd ingericht voor de representatieve zaken. Het interieur getuigt weer van de mentaliteit van de eerbiedige  liefhebber,  zonder welke geen gebouw tot leven kan komen. Tal van voorwerpen zijn er met zorg verzameld.

Het vrijgekomen gemeentewapen werd in 1966 geplaatst op een sokkel bij de toenmalige dienstingang van de secretarie aan de Raadhuisstraat. Sinds 1977 staat deze sokkel met gemeentewapen tegenover het raadhuis, aan de voorzijde van de voormalige openbare lagere school -de huidige openbare bibliotheek-, die op 27 april van dat jaar als dependance van het gemeentehuis inclusief de `Meester Jaap Slootenzaal' -een nieuwe grotere raadszaal- offi-
cieel in gebruik werd gesteld. Op de sokkel met het gemeentewapen werd de plaquette uit de hal van het raadhuis aangebracht,   ter  herinnering   aan   de  drie Hoogwoudse oorlogsslachtoffers, nameIijk  burgemeester  en   secretaris   Dirk Hoogenboom, mej. A. Breed en dhr. C. Commandeur.

De Hal

Inwendig werd de hal verruimd, voorzien van wit marmeren tegels. Zowel naar de zolder als naar de begane vloer werden trapjes aangebracht, voorzien van gemarmerde treden. Al het marmeren, een speciale schilderstechniek, is uitgevoerd door dhr H.C. Ackermann uit Haarlem die in dienst was van de firma Cramer. Aan de oostzijde werd een tegeltableau ingemetseld en aan de westzijde prijkte van 1960 tot 1977 een plaquette, vermeldende de bovengenoemde namen van een drietal inwoners, die tijdens de 2e Wereldoorlog zijn omgekomen. Door de ongeveer 2000 Amersfoortse evacues die van 13 tot 21 mei 1940 in Hoogwoud onderdak ontvingen, zijn als dank aan de gemeente een stoel en een ingelijste oorkonde geschonken, beide voorzien van de wapenschilden van de gemeenten Hoogwoud en Amersfoort. Dit geschenk is in deze hal bewonderen.

Gemeentehuis + nieuwe aanbouw omstreeks 1966.

De Raadszaal

Rechts van de hal bevindt zich de raad-, tevens trouwzaal, geschilderd wat de lambrizering betreft in een zacht-rose tint. De wanden zijn geheel bedoekt. Het oude geschilderde deurpaneel is in oude luister hersteld. Het laat een uit 1742 daterende voorstelling van Vrouwe Justitia zien met de spreuk 'Gedenk aan den eed' Een herinnering aan de rechtspraak in het raad-huis.

Links en rechts van de deur zijn de wapens aangebracht van respectievelijk Hoogwoud en van de vroegere gemeente Aartswoud, welke in 1812 is verenigd met  de gemeente Hoogwoud. In 1816 verleende de Hoge Raad van Adel het gemeentewapen, waarvan aan een der wanden het bewijs wordt geleverd. Dit wapen, een door een  adelaar vastgehouden  schild waarop een in de grond wortelende lindeboom wordt getoond, is reeds te zien op een middeleeuws zegel dat in de kroniek van Pieter Bossen ondersteboven is afgebeeld. Het gothische randschrift van het zegel luidt: `sigill: civitatis de hogent-woud' (zegel van de stad Hoogwoud).

De schoorsteenmantel is evenals de balie gemarmerd; boven deze mantel bevindt zich een spiegel en daarboven het wapen van de familie van Catz. Dit familiewapen dat mede is afgebeeld op de bovenvermelde drinkbeker, is als volgt te omschrijven: Een wapenschild vastgehouden door twee schildhouders namelijk aan de (heraldische) rechterzijde een leeuw en aan de linkerzijde een drank; op het wapenschild ziet men twee parallel aan elkaar golvende  dwarsbalken,  met  daarboven  twee naast elkaar geplaatste lozanjes, en beneden de onderste dwarsbalk ook zulk een lozanje, geheel in het midden. De familie van Catz voert boven het schild een kroon van vijf bladeren.

Op de vergadertafel bevinden zich een schemerlamp, tabakspot, pijpenrek, tinnen asbakken, een in de Wieringermeer gevonden siervaasje en een bel met handvat, waarop de naam is aangebracht van een vroegere Burgemeester. Het vloertapijt is vervaardigd door de toendertijd in Hoogwoud,  aan  de  Westerboekelweg, gevestigde tapijtfabriek Belland die later deel uitmaakte van de Hollandse Tapijtindustrie. Omdat radiatoren altijd storende elementen in een interieur zijn, heeft architect Royaards een vloerverwarming voorgeschreven, die is gemaakt door de fa. Rutgers uit Blokker.

De raadzaal in gebruik bij een bezoek van de Provincie bestuurders. Staande links herkennen we wethouder G. Tulp en naast hem wethouder P. Schilder. Zittend 2e van links zit commisaris Belaarts van Blokland en daarnaast Burgemeester D. Breebaart.

De Burgemeesterskamer

Links van de hal is de tegenwoordige burgemeesterskamer; de lambrizering is hier geschilderd in groen-blauwe tint. Aan de wand prijken diverse gravures van de beide dorpen Hoog- en Aartswoud en op de werktafel prijkt een oude Chinese vaas als verlichtingsornament. Deze kamer wordt verder verlicht door een kroon van Venitiaans glas vervaardigd. Aan de wand treft men aan een in het dorp gevonden oud Jacoba-kannetje en boven de sierlijke boekenkast bevindt zich de uit 1743 daterende verguld-zilveren beker. De schoorsteenmantel is van marmer. Zowel de burgemeesterskamer als de raadszaal worden verwarmd d.m.v. convectoren. De stoelen in de burgemeesterskamer hebben het gemeentewapen van oud-Opmeer, d.w.z. van de gemeente die op 1 juni 1959 is opgehouden te bestaan door samenvoeging met de voormalige gemeente Spanbroek.

De Kelder

Onder de burgemeesterskamer is een ruimte aanwezig voor gemeentewerken, voorzien van plavuizen waaronder vloerverwarming, plint-tegels en tableau. De kast heeft gelijkenis met een oorspronkelijk aldaar aanwezige bedstede. Een knus oud keukentje completeert het gerestaureerde gedeelte en via een tussenlid met toog en plintegels bereikt men de secretarie. Het oostelijke deel van de kelder onder de secretarie heeft orspronkelijk gediend tot huisvesting van de gemeenteveldwachter en het westelijke deel onder de raadszaal tot het bewaren van gevangenen in het omstreeks 1936 weggebroken cachot. Er waren twee cellen, een grote en een kleine, de laatste voor de 'grote' misdadiger.

Na de verbouwing van de kelder in 1936, zijn enkele gevangenisattributen aan het Westfries Museum geschonken of wellicht slechts in bruikleen gegeven. Het halsijzer dat nog in 1937 in de raadhuiskelder aanwezig was, slingert vermoedelijk zonder aanduiding van herkomst ergens in dat museum rond.

Kosten

Uiteindelijk heeft deze restauratie, die in 1966 werd voltooid, de gemeente Hoogwoud weinig gekost. Men kan de nieuwe vleugel compleet met centrale verwarming en inrichting op f 100.000,- schatten, terwijl de subsidiabele reatauratiekosten (dus van het oude gedeelte) f 105.000,- waren. Hiervan is 22% voor rekening van de gemeente. Er kwam dan nog f 26.000,- bij voor de verwarmingsinstallatie, meubilair etc. Totaal heeft deze restauratie dus nog geen anderhalve ton gekost.
 

 

Website designed and build by Déanluma